ECLI:NL:PHR:2022:409, Parket bij de Hoge Raad, 10-05-2022, 22/00205 — PHR:2022:409
Samenvatting
Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Roemeense autoriteiten. Drie middelen. 2. Afwijzing aanhoudingsverzoek, 1. Beperkte kennisneming EOB en 3. Verstrekking uitgeselecteerde documenten onder de voorwaarde van art. 5.4.9 lid 3 Sv. Ad 2. Het oordeel van de Rb dat zij geen belang ziet bij aanhouding van de zaak om navraag te doen of er specifieke bezwaren bestaan tegen kennisneming van klaagster van het gehele EOB (vgl. HR ECLI:2020:1227) is - hoewel het de voorkeur zou hebben verdiend dat de Rb haar oordeel nader had gemotiveerd - gelet op de inhoud van de wél aan de klaagster verstrekte stukken niet onbegrijpelijk, omdat niet kan worden gezegd dat op basis van de genoemde informatie geen inhoudelijk gemotiveerde klacht kan worden geformuleerd. Ad 1. Het kennelijke oordeel van de Rb dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de klaagster en/of haar raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de verdere inhoud van het EOB blijkt is niet onbegrijpelijk, gelet op de enkele stellingname dat de gegevens reeds bekend zijn en het in HR ECLI:2020:1227 geformuleerde uitgangspunt van geheimhouding. Ad 3. De vaststelling van de Rb dat de documenten zijn verstrekt onder de voorwaarde van art. 5.4.9 lid 3 Sv en de officier van justitie deze beslissing toereikend heeft gemotiveerd is niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor het oordeel van de Rb dat klaagster onvoldoende heeft onderbouwd dat zij onomkeerbare schade lijdt door genoemde verstrekking. De totstandkomingsgeschiedenis van art. 5.4.9 lid 3 Sv biedt voorts geen steun voor de opvatting dat een richtlijnconforme uitleg van art. 5.4.9 lid 3 Sv meebrengt dat een verzoek om onmiddellijke overdracht alleen bij (aanvullend) EOB kan worden gedaan. Daarbij komt dat art. 7 lid 2 EOB-richtlijn inhoudt dat na toezending van het EOB door de uitvaardigende autoriteit alle verdere officiële communicatie rechtstreeks tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit geschiedt. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Betrokken advocaten
Greenberg Traurig,, AMSTERDAM
mr. I.S.L.M. van Rijckevorsel
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBLIM:2024:1077, Rechtbank Limburg, 14-02-2024, 23-028290
Rechtbank Limburg · Strafrecht
ECLI:NL:PHR:2020:1187, Parket bij de Hoge Raad, 01-09-2020, 19/03850
Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:PHR:2020:680, Parket bij de Hoge Raad, 09-06-2020, 19/04321
Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:PHR:2020:679, Parket bij de Hoge Raad, 09-06-2020, 19/03850
Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
10 mei 2022
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
22/00205
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:409