Conclusie AG: uitlevering Armeniër aan Oekraïne terecht ontoelaatbaar verklaard — PHR:2026:183
uitlevering / mensenrechten (art. 2 en 3 EVRM) / toelaatbaarheid uitlevering aan Oekraïne
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie (plaatsvervangend officier van justitie arrondissementsparket Rotterdam)
Verweerder / gedaagde
De opgeëiste persoon (geboren 1987 te Armenië)
De advocaat-generaal concludeert dat het cassatieberoep van het openbaar ministerie moet worden verworpen en de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering aan Oekraïne in stand blijft.
- De uitleveringsrechter mag zelfstandig de uitlevering ontoelaatbaar verklaren als sprake is van een dreigende flagrante schending van art. 2 of 3 EVRM én geen effectief rechtsmiddel beschikbaar is.
- De verslechterde situatie in Oekraïense gevangenissen door oorlog — gebrek aan basisvoorzieningen, overbevolking en nauwelijks schuilkelders — vormt volgens de rechtbank voldoende grond voor die conclusie.
- De parallel met het Nederlandse non-refoulement-beleid ten aanzien van Oekraïense vluchtelingen versterkt het oordeel dat uitlevering evenmin toelaatbaar is.
- Het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oekraïne kan de dreiging niet wegnemen, omdat die voornamelijk van buitenaf (Russische aanvallen) komt en de Oekraïense autoriteiten daartegen geen afdoende bescherming kunnen bieden.
- De advocaat-generaal concludeert dat de rechtbank het beoordelingskader uit HR 21 maart 2017 correct heeft toegepast en dat het cassatiemiddel van het OM faalt.
Samenvatting
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat de rechtbank Rotterdam terecht de uitlevering van een in Armenië geboren man aan Oekraïne ontoelaatbaar heeft verklaard. Het openbaar ministerie had cassatie ingesteld tegen die beslissing, maar de advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen.
De zaak draait om een uitleveringsverzoek van Oekraïne voor een man die daar strafrechtelijk vervolgd zou worden. De rechtbank Rotterdam weigerde de uitlevering in oktober 2025, omdat zij vreesde voor een flagrante schending van zijn recht op leven en het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling, zoals vastgelegd in artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Normaal gesproken is het niet de rechter maar de minister van Justitie die beslist of een uitlevering geweigerd moet worden vanwege mensenrechtenschendingen. De rechtbank mag die beslissing alleen zelf nemen als er sprake is van een dreigende flagrante schending van grondrechten én als de opgeëiste persoon na uitlevering geen effectief rechtsmiddel heeft om daartegen op te komen.
De rechtbank achtte aan beide voorwaarden voldaan. Zij wees op de verslechterende situatie in Oekraïense gevangenissen als gevolg van de oorlog: gebrek aan voedsel, water, elektriciteit, verwarming en medicijnen, en toenemende overbevolking doordat duizenden gedetineerden uit bezette gebieden werden overgeplaatst. Daarbij nemen de Russische luchtaanvallen op heel Oekraïne toe, ook buiten de frontgebieden. In gevangenissen en rechtbanken zijn nauwelijks schuilkelders beschikbaar — slechts in 7 procent van de rechtbanken is enige schuilgelegenheid aanwezig. In juli 2025 werd een gevangenis in de regio Zaporizja geraakt, waarbij zestien gedetineerden om het leven kwamen.
De rechtbank trok ook een parallel met het terugkeerbeleid: Nederland stuurt geen Oekraïense vluchtelingen gedwongen terug vanwege de gevaarlijke situatie in het land. Als gedwongen terugkeer al niet mogelijk is, kan uitlevering aan datzelfde land van iemand die volledig afhankelijk is van het Oekraïense detentiesysteem evenmin door de beugel, aldus de rechtbank.
Het openbaar ministerie voerde in cassatie aan dat de rechtbank haar bevoegdheden had overschreden en ten onrechte een oordeel had geveld dat aan de minister toebehoort. De advocaat-generaal volgt dit standpunt niet. Volgens haar heeft de rechtbank het juiste toetsingskader gehanteerd en op basis van voldoende onderbouwd verweer kunnen vaststellen dat sprake is van een dreigende flagrante schending zonder enig effectief rechtsmiddel daartegen. Daarmee viel de zaak binnen de uitzondering die de Hoge Raad zelf in 2017 heeft geformuleerd.
De advocaat-generaal concludeert dan ook dat het cassatiemiddel van het openbaar ministerie faalt en dat de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam in stand moet laten — waarmee de uitlevering van de man aan Oekraïne ontoelaatbaar blijft.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:1328, Rechtbank Amsterdam, 29-01-2026, 1330177425
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:1330, Rechtbank Amsterdam, 29-01-2026, 1329177125
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:432, Rechtbank Amsterdam, 22-01-2026, 13-143066-22
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:207, Rechtbank Amsterdam, 06-01-2026, 1324004725
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
25/04105
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:183