ECLI:NL:PHR:2026:245, Parket bij de Hoge Raad, 17-03-2026, 24/00808 — PHR:2026:245
Samenvatting
Conclusie AG. Witwassen (art. 420bis lid 1 Sr). M1 klaagt tevergeefs over het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag van € 32.100,00. M2: heeft de verdachte de vindplaats van het geld verhuld door het geld achter een plafondplaat in de slaapkamer van de woning van een derde te plaatsen? Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte er bewust voor koos om het geld in deze woning (niet zijnde zijn eigen woning) te plaatsen, omdat hij ‘die woning wel veilig vond’. Door het geld in de woning van een ander te verstoppen heeft de verdachte het geld niet alleen feitelijk aan het zicht onttrokken, maar het geld ook ‘op afstand’ van hemzelf geplaatst. Dat de verdachte hiermee de vindplaats van het geld heeft verhuld, vindt – mede tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:462) – voldoende steun in de bewijsvoering. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf i.v.m. een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Gegevens
Datum uitspraak
17 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
24/00808
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:245