Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2026:287Strafrecht

PG adviseert Hoge Raad over Curaçaose veroordeling als recidivegrond — PHR:2026:287

recidive als strafverzwaringsgrond / reikwijdte art. 43a Sr ten aanzien van Koninkrijksveroordelingen

Eiser / verzoeker

verdachte

VS

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

PG concludeert tot vernietiging van de uitspraak voor zover het de strafverzwaringsgrond en straftoemeting betreft, en terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag.

  • Artikel 43a Sr strekt zich naar tekst en wetsgeschiedenis niet uit tot veroordelingen uitgesproken door rechters in Curaçao of andere landen van het Koninkrijk.
  • De historische recidivebepalingen (art. 421-423 oud Sr) waren beperkt tot het Nederlandse rechtsstelsel; bij art. 68 Sr werd overzeese reikwijdte wél expliciet geregeld, bij recidivebepalingen niet.
  • De Curaçaose veroordeling uit 2012 had zowel als bewezenverklaarde strafverzwaringsgrond als bij de straftoemeting niet ten nadele van de verdachte mogen worden meegewogen op grond van art. 43a Sr.
  • PG adviseert de Hoge Raad het cassatiemiddel gegrond te verklaren en de zaak terug te wijzen naar het hof voor herbehandeling van de straftoemeting.

Samenvatting

Een man die in Nederland werd veroordeeld wegens afpersing en wapenbezit, bestrijdt in cassatie dat de rechtbank een oude veroordeling door een Curaçaos gerecht heeft meegewogen als strafverzwarende recidivegrond. De rechtbank Den Haag legde hem twaalf maanden gevangenisstraf op en de zaak werd door het gerechtshof Den Haag bevestigd. De kern van de cassatieklacht is de vraag of een veroordeling uitgesproken door het Gerecht in Curaçao kan gelden als een 'vroegere veroordeling' in de zin van artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 43a Sr biedt de mogelijkheid om de maximale tijdelijke gevangenisstraf met een derde te verhogen als de verdachte binnen vijf jaar na een eerdere onherroepelijke veroordeling wegens een soortgelijk misdrijf opnieuw in de fout gaat. De rechtbank had in dit geval een veroordeling uit 2012 door het Gerecht op Curaçao — waarbij de man zes jaar gevangenisstraf opgelegd kreeg wegens diefstal met geweld — als zodanige vroegere veroordeling aangemerkt en dit ten nadele meegewogen bij de strafoplegging.

De procureur-generaal (PG) bij de Hoge Raad analyseert uitgebreid de historische wortels van de recidiveregeling. Vóór 2006 stonden in het Wetboek van Strafrecht de artikelen 421 tot en met 423 (oud), die recidive betroffen bij specifieke Nederlandse strafbepalingen. Die artikelen waren naar hun redactie klaarblijkelijk bedoeld voor recidive binnen het Nederlandse rechtsstelsel en verwezen niet naar veroordelingen uitgesproken in de toenmalige koloniën. De PG wijst erop dat de wetgever elders in het Wetboek van Strafrecht — in het ne bis in idem-beginsel van artikel 68 — wél expliciet verwees naar rechterlijke beslissingen uit de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk. Het ontbreken van zo'n explicitering in de recidivebepalingen duidt er volgens de PG op dat buitenlandse of overzeese veroordelingen er niet onder vielen.

In 2006 werden de artikelen 421-423 oud vervangen door het algemene artikel 43a Sr, als uitvloeisel van een motie in de Tweede Kamer die recidive als algemene strafverzwaringsgrond in de wet wilde verankeren. Curaçao was op dat moment nog onderdeel van de Nederlandse Antillen, een autonoom land binnen het Koninkrijk. De PG concludeert dat noch de tekst noch de wetsgeschiedenis van artikel 43a Sr aanleiding geeft om aan te nemen dat de reikwijdte van de recidiveregeling is uitgebreid tot veroordelingen uitgesproken door rechters in andere landen van het Koninkrijk zoals Curaçao.

Dit heeft volgens de PG twee gevolgen voor de onderhavige zaak. Ten eerste had de Curaçaose veroordeling niet als bewezenverklaarde strafverzwaringsgrond in de tenlastelegging mogen worden opgenomen, omdat artikel 43a Sr daarvoor niet is geschreven. Ten tweede had die veroordeling ook niet mogen worden meegewogen bij de straftoemeting op de grondslag van artikel 43a Sr. De PG adviseert de Hoge Raad het middel gegrond te verklaren.

De conclusie strekt dan ook tot vernietiging van de bestreden uitspraak, voor zover het de bewezenverklaarde strafverzwaringsgrond onder feit 1 en de straftoemeting betreft, en terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag voor herbehandeling op die punten.

Betrokken advocaten

mr. A.A. Franken

verdachte

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/01096

ECLI

ECLI:NL:PHR:2026:287

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken