Rechtbank beslist te laat: zorgmachtiging mag maar zes maanden duren — PHR:2026:305
gedwongen psychiatrische zorg / zorgmachtiging Wvggz / overschrijding beslistermijn
Eiser / verzoeker
Betrokkene (verzoeker tot cassatie)
Verweerder / gedaagde
Officier van Justitie Arrondissementsparket Gelderland
De bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover een zorgmachtiging van twaalf maanden is verleend; de machtiging wordt beperkt tot maximaal zes maanden, geldig tot uiterlijk 31 januari 2026.
- De rechtbank Gelderland heeft de wettelijke beslistermijn van drie weken (art. 6:2 lid 1 onder e Wvggz) overschreden door pas op 31 juli 2025 te beslissen op een verzoek van 4 juli 2025.
- Door de termijnoverschrijding verviel de lopende zorgmachtiging van rechtswege op 26 juli 2025, waardoor er geen sprake meer was van een aansluitende machtiging.
- Zonder aansluiting op een eerdere machtiging kan de rechter op grond van art. 6:5 onder a Wvggz slechts een machtiging verlenen voor maximaal zes maanden, niet twaalf.
- De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de duur van de machtiging te beperken tot maximaal zes maanden (tot uiterlijk 31 januari 2026).
Samenvatting
Een man die gedwongen zorg ontvangt op grond van de Wet verplichte ggz (Wvggz) stapte naar de Hoge Raad omdat de rechtbank Gelderland zich niet aan de wettelijke beslistermijn had gehouden. Die termijnoverschrijding had directe gevolgen voor de duur van de zorgmachtiging die hem werd opgelegd.
De achtergrond is als volgt. De man had al een lopende zorgmachtiging, geldig tot uiterlijk 25 augustus 2025. Op 4 juli 2025 diende de officier van justitie een verzoek in voor een vervolgmachtiging van twaalf maanden. De advocaat van de man liet de rechtbank op 14 juli 2025 weten dat zijn cliënt zich refereerde aan het oordeel van de rechter — hij maakte dus geen bezwaar. De rechtbank bevestigde dit een dag later.
De wet schrijft voor dat de rechter in zo'n geval uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift beslist. Die termijn liep af op 25 juli 2025. Maar de rechtbank wachtte en deed pas op 31 juli 2025 uitspraak. Daarmee was de termijn met zes dagen overschreden.
Dat heeft juridische consequenties. Zolang de rechtbank tijdig beslist op een verzoek voor een vervolgmachtiging, loopt de oude machtiging door tot de nieuwe ingaat — er is dan sprake van 'aansluiting'. Bij die aansluiting mag de nieuwe machtiging maximaal twaalf maanden duren. Maar als de rechtbank de beslistermijn overschrijdt, vervalt de oude machtiging automatisch op de dag ná de deadline. In dit geval eindigde de lopende machtiging dus al op 26 juli 2025 — vijf dagen vóór de uitspraak. Van een aansluitende machtiging was daarmee geen sprake meer, en de rechtbank mocht daarom alleen nog een machtiging van maximaal zes maanden verlenen.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep slaagt. Deze problematiek — een rechtbank die te laat beslist en daarmee een langere machtiging oplegt dan wettelijk is toegestaan — is al vaker aan de Hoge Raad voorgelegd, ook eerder in zaken die deze man betroffen. De oplossing is steeds dezelfde: de Hoge Raad doet de zaak zelf af en beperkt de duur van de machtiging tot maximaal zes maanden.
De conclusie strekt dan ook tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Gelderland, voor zover daarin een machtiging voor twaalf maanden is verleend, en tot vaststelling dat de zorgmachtiging geldt voor maximaal zes maanden — dus tot uiterlijk 31 januari 2026.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:PHR:2025:1094, Parket bij de Hoge Raad, 10-10-2025, 25/02796
Parket bij de Hoge Raad · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:1361, Rechtbank Den Haag, 21-01-2025, C/09/674210 / JE RK 24-1877
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:HR:2024:1804, Hoge Raad, 06-12-2024, 24/02325
Hoge Raad · Civiel Recht
ECLI:NL:HR:2024:1811, Hoge Raad, 06-12-2024, 24/03324
Hoge Raad · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
25/02737
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:305