Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2026:306Strafrecht

Hof verklaart hoger beroep te laat ingesteld na vonnis bedreiging — PHR:2026:306

ontvankelijkheid hoger beroep / betekening vonnis / appeltermijn strafrecht

Eiser / verzoeker

verdachte

VS

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep door het hof in stand blijft.

  • Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep meer dan twee jaar na de veronderstelde betekening van het vonnis werd ingesteld.
  • De akte van uitreiking van 18 oktober 2021 vermeldt het parketnummer van de zaak maar niet expliciet wát er is uitgereikt, wat de kern vormt van het cassatiemiddel.
  • Het hof redeneerde dat boetes via het CJIB lopen en niet in persoon op het politiebureau worden uitgereikt, zodat de akte betrekking moest hebben op het vonnis.
  • De Procureur-Generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring in stand blijft.

Samenvatting

Een man werd in mei 2020 bij verstek veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf wegens bedreiging. Omdat hij niet aanwezig was bij de zitting en de dagvaarding hem niet persoonlijk had bereikt, ging de termijn voor hoger beroep pas lopen op het moment dat hij op de hoogte raakte van het vonnis. Bijna drieënhalf jaar later, in november 2023, stelde zijn advocaat alsnog hoger beroep in.

Het hof 's-Hertogenbosch verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in dat hoger beroep. Kernvraag was wanneer de verdachte voor het eerst van het vonnis op de hoogte was geraakt. In het dossier zat een handgeschreven akte van uitreiking van 18 oktober 2021, opgemaakt op een politiebureau in Breda, met daarop het parketnummer van de betrekkelijke zaak. De verdachte zat op dat moment op het politiebureau om een andere straf uit te zitten.

De verdachte en zijn advocaat betwistten dat op die datum het vonnis aan hem was uitgereikt. Volgens de verdachte ging het om een stuk over een openstaande boete van circa vijfhonderd euro. De akte vermeldde immers niet expliciet wát er was uitgereikt, alleen het parketnummer en de handtekeningen van de verbalisant en de verdachte zelf. De raadsman vroeg het hof de zaak aan te houden om nader te onderzoeken wat er precies was overhandigd.

Het hof wees dat verzoek af. Het redeneerde dat het parketnummer op de akte overeenkwam met de betreffende zaak, en dat er geen andere aanleiding was om op die datum iets in persoon uit te reiken. Boetes en schadevergoedingsmaatregelen lopen namelijk via het CJIB en worden niet op een politiebureau in persoon overhandigd. Uit de justitiële documentatie bleek bovendien dat de verdachte van 18 tot 28 oktober 2021 een gevangenisstraf uitzat wegens een schadevergoedingsmaatregel in een andere zaak — dat verklaarde zijn aanwezigheid op het bureau, maar niet de uitreiking van een boetestuk.

In cassatie klaagt de advocaat dat het hof ten onrechte of op onjuiste gronden tot deze conclusie is gekomen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie de klacht beoordeeld. Centraal staat de vraag of een akte van uitreiking die niet vermeldt wát er is uitgereikt, maar alleen een parketnummer bevat, voldoende grond biedt om te concluderen dat de verdachte op die datum met het vonnis bekend is geworden.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt ertoe de uitkomst van het hof te toetsen aan de regels van artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering. Op grond daarvan moet hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat de verdachte van de uitspraak op de hoogte is geraakt. Het hof stelde vast dat dit moment op 18 oktober 2021 lag, zodat het hoger beroep van november 2023 ruimschoots te laat was. Nu de Procureur-Generaal adviseert over de gegrondheid van het cassatiemiddel, is de uiteindelijke beslissing aan de Hoge Raad — maar de conclusie strekt tot verwerping van het beroep, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in stand zou blijven en de veroordeling tot twee weken gevangenisstraf onherroepelijk is.

Betrokken advocaten

mr. C.J.M. Jansen

verdachte

Jansen & Van Rooijen Advocaten, TILBURG

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/02286

ECLI

ECLI:NL:PHR:2026:306

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken