Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2026:307Strafrecht

Hoge Raad: hoger beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard — PHR:2026:307

ontvankelijkheid hoger beroep / betekening dagvaarding / appeltermijn strafrecht

Eiser / verzoeker

verdachte

VS

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

De procureur-generaal concludeert tot vernietiging van de niet-ontvankelijkverklaring en terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

  • Het hof stelde ten onrechte vast dat de dagvaarding in persoon was betekend; uit de akte van uitreiking blijkt dat een ander persoon de dagvaarding heeft ontvangen.
  • Bij niet-persoonlijke betekening geldt art. 408 lid 2 Sv: de beroepstermijn van veertien dagen gaat pas lopen vanaf het moment dat de verdachte bekend raakt met de uitspraak.
  • Uit het dossier volgt dat de verdachte pas op 20 januari 2024 door politieagenten van het vonnis op de hoogte werd gesteld, waardoor het beroep van 26 januari 2024 tijdig was.
  • De niet-ontvankelijkverklaring is niet begrijpelijk en het middel slaagt; de conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Samenvatting

Een vrouw die in januari 2023 bij verstek werd veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, kreeg te horen dat zij haar hoger beroep te laat had ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam verklaarde haar in mei 2024 niet-ontvankelijk, omdat de dagvaarding voor de oorspronkelijke zitting volgens het hof aan haar persoonlijk zou zijn betekend. In dat geval geldt een termijn van veertien dagen na de uitspraak om in hoger beroep te gaan.

De vrouw had op 26 januari 2024 — ruim een jaar na de veroordeling — een e-mail gestuurd naar de rechtbank Noord-Holland met het verzoek om in hoger beroep te gaan. Ze schreef daarin dat twee politieagenten haar pas op 20 januari 2024 hadden verrast in haar vakantiehuisje, waar zij voor het eerst hoorde van de veroordeling. Volgens haar was zij altijd ingeschreven op hetzelfde adres en had zij nooit een oproep voor de zitting ontvangen. Ook stelde ze dat agenten haar destijds hadden verteld dat er geen vervolging zou komen.

Het hof ging ervan uit dat de dagvaarding haar in persoon was betekend op 15 november 2022, waardoor de beroepstermijn al lang verstreken was. Maar de advocaat van de vrouw wees in cassatie op een cruciale fout: uit de akte van uitreiking van diezelfde datum blijkt juist dat de dagvaarding níet aan de vrouw zelf is overhandigd, maar aan een andere persoon op haar adres, die de akte ook heeft ondertekend.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat de klacht terecht is. De vaststelling van het hof dat sprake was van betekening in persoon is aantoonbaar onjuist, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring niet in stand kan blijven. Omdat de dagvaarding niet persoonlijk was uitgereikt en de vrouw ook niet aanwezig was op de zitting, geldt een andere termijnregel: het hoger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat blijkt dat de verdachte van de uitspraak op de hoogte is. Uit het dossier blijkt niet dat de vrouw eerder dan 20 januari 2024 van het vonnis wist, zodat haar beroep van zes dagen later tijdig was.

De procureur-generaal adviseert de Hoge Raad de uitspraak van het hof te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof Amsterdam, zodat het hoger beroep alsnog inhoudelijk kan worden behandeld.

Betrokken advocaten

mr. D.W.H.M. Wolters

verdachte

Wolters Strafrechtadvocaten, HOOFDDORP

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/01948

ECLI

ECLI:NL:PHR:2026:307

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken