Beveiliger schuldig aan ontucht met bewusteloze vrouw — PHR:2026:310
seksueel strafrecht / ontucht met verminderd bewuste persoon / cassatie
Eiser / verzoeker
verdachte (geboren 1999)
Verweerder / gedaagde
Openbaar Ministerie
De procureur-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de veroordeling van de verdachte tot vier maanden gevangenisstraf voor ontucht met een verminderd bewuste vrouw in stand blijft.
- Het hof heeft de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten door 'verminderd bewustzijn' en 'wilsonvermogen' samen bewezen te verklaren, nu beide alternatieven in de tenlastelegging waren opgenomen.
- Getuigenverklaringen over de ernstige dronkenschap van het slachtoffer — niet kunnen lopen, stemmingswisselingen, geheugenverlies — dragen het bewijs van verminderd bewustzijn.
- Het opzet van de verdachte op het verminderd bewustzijn van het slachtoffer werd afgeleid uit het feit dat hij haar zelf naar binnen had gedragen en haar toestand had waargenomen.
- De verdachte erkende dat het slachtoffer hem had afgetrokken en dat hij was klaargekomen, maar betwistte de bewustzijnstoestand van het slachtoffer.
- De PG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen, zodat de gevangenisstraf van vier maanden in stand blijft.
Samenvatting
Een jonge beveiliger die in de nacht van 25 op 26 januari 2020 dienst had in een gebouw in Amsterdam werd veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met een vrouw die door overmatig alcoholgebruik nauwelijks nog bij bewustzijn was. Het gerechtshof Amsterdam legde hem een gevangenisstraf op van vier maanden.
De vrouw was die avond met een vriendin uiteten gegaan en had daarna in meerdere cafés gedronken. Haar toestand verslechterde snel en dramatisch: ze kon niet meer lopen, viel op straat, maakte oncontroleerbare geluiden en had hevige stemmingswisselingen — ze wisselde tussen lachen, huilen en piepen. Een kennis die haar begeleidde vertelde later dat ze zoiets nog nooit had gezien en dat de vrouw 'van haar padje af' was. Uiteindelijk moest de vrouw naar de receptie van een gebouw worden gedragen.
Daar nam de verdachte, die als stagiair-beveiliger aanwezig was, de vrouw mee. Een getuige zag hoe hij haar op intieme wijze optilde, met haar benen om zijn lichaam geslagen. Ruim een kwartier later verscheen de vrouw plots halfnaakt — slechts gekleed in een BH — in de kamer, giechelde en zei dat ze moest douchen. Ze bleek later niets meer te weten van wat er was gebeurd. De verdachte verklaarde later zelf dat de vrouw hem had afgetrokken en dat hij was klaargekomen.
In cassatie voerde de verdediging aan dat het hof de grenzen van de tenlastelegging had overschreden en dat niet bewezen kon worden dat de vrouw daadwerkelijk in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, en dat de verdachte dit ook niet had geweten. Het hof had in de bewezenverklaring vermeld dat het slachtoffer 'niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden' — een formulering die volgens de verdediging de grondslag van de aanklacht verliet.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad analyseerde de drie onderdelen van het middel. De eerste twee klachten — over het verlaten van de grondslag van de tenlastelegging — worden door de PG verworpen. De tenlastelegging sprak zowel van bewusteloosheid als van verminderd bewustzijn en van wilsonvermogen; het hof heeft bewezen verklaard dat de vrouw in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde waarbij zij haar wil niet kon bepalen of kenbaar maken. Dat past binnen de grenzen van de tenlastelegging.
Over de derde klacht — of het bewijs voor het verminderd bewustzijn en het opzet van de verdachte toereikend was — concludeert de PG eveneens dat het hof de bewezenverklaring voldoende heeft onderbouwd. Getuigenverklaringen schilderden een vrouw die niet meer zelfstandig kon lopen, zich van niets meer bewust was en volledig out of control was. De beveiliger had haar zelf naar binnen gedragen en was getuige van haar toestand. Dat hij desondanks seksuele handelingen met haar verrichtte, maakt dat hij wist of had moeten weten dat zij niet in staat was daar toestemming voor te geven.
De PG concludeert dat het middel in alle drie de onderdelen faalt en adviseert de Hoge Raad het beroep te verwerpen, waarmee de veroordeling van de verdachte tot vier maanden gevangenisstraf in stand zou blijven.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:588, Rechtbank Amsterdam, 22-01-2026, 13-299647-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Internationaal Strafrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:23937, Rechtbank Den Haag, 10-12-2025, NL25.58452
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:GHARL:2025:7378, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-11-2025, 21-000445-24
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Strafrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:16675, Rechtbank Den Haag, 05-09-2025, C/09/688774 KG ZA 25-727
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
24/01577
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:310