Conclusie AG: brandbeveiliging bedrijf valt mogelijk niet onder bouw-cao — PHR:2026:338
werkingssfeer cao en verplichtstellingsbesluit bouwnijverheid / bedrijfstakpensioenfonds
Eiser / verzoeker
[eiseres] B.V. (brandbeveiliging- en brandpreventiebedrijf)
Verweerder / gedaagde
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (Bpf Bouw), Stichting O&O-fonds Bouw & Infra en Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra
De procureur-generaal concludeert tot vernietiging van de drie arresten van het hof Amsterdam; de Hoge Raad moet nog beslissen.
- De procureur-generaal acht enkele cassatieklachten gegrond en concludeert tot vernietiging van alle drie de arresten van het hof Amsterdam.
- Het hof oordeelde op basis van een deskundigenbericht dat 54,54% van de loonsom van het bedrijf in 2014 aan bouwactiviteiten is toe te rekenen, waarmee het 'overwegend' bouwactiviteiten verricht.
- Het hof stond toe dat ingeleende krachten, zzp'ers en uitzendkrachten worden meegenomen in de loonsomvergelijking via een fictief loon, wat [eiseres] bestreed.
- De uitleg van de werkingssfeerbepaling in het Verplichtstellingsbesluit bouwnijverheid is als rechtsvraag volledig toetsbaar in cassatie via de cao-norm.
- De kantonrechter had het brandbeveiliging bedrijf aanvankelijk in het gelijk gesteld; het hof vernietigde dat vonnis en wees de vorderingen van de bouwfondsen alsnog toe.
Samenvatting
Een bedrijf gespecialiseerd in brandbeveiliging en brandpreventie vecht al jaren de verplichting aan om deel te nemen aan de pensioenfondsen en cao's van de bouwnijverheid. De zaak draait om de vraag of het bedrijf, dat adviezen geeft, brandblusapparatuur verkoopt en onderhoudt, en bouwkundige brandpreventiemaatregelen uitvoert, moet worden gezien als een onderneming in de bouwsector.
De bouwfondsen — het pensioenfonds Bpf Bouw, het O&O-fonds en het Aanvullingsfonds — stellen dat het bedrijf al vanaf 2013 verplicht onder de bouwregelingen valt. Zij lieten onderzoek doen naar de activiteiten van het bedrijf en concludeerden dat meer dan de helft van de loonsom toe te schrijven is aan bouwactiviteiten. Daarmee wordt voldaan aan de drempel van 'overwegend' bouwactiviteiten verrichten.
Het bedrijf zelf betwist dit. Het ziet zichzelf als gespecialiseerd in brandbeveiliging, en niet als bouwbedrijf. De kantonrechter gaf het bedrijf aanvankelijk gelijk, maar het hof Amsterdam dacht daar anders over. Het hof benoemde een deskundige die onderzoek deed naar de zogenoemde 'loonsomvergelijking': welk deel van de loonsom is toe te rekenen aan bouwactiviteiten versus andere activiteiten. De deskundige concludeerde dat 54,54% van de loonsom in 2014 verband houdt met bouwactiviteiten. Op basis hiervan oordeelde het hof dat het bedrijf in overwegende mate bouwactiviteiten verricht en dus onder de bouwregelingen valt.
Het bedrijf maakte meerdere bezwaren tegen het deskundigenrapport. Zo stelde het dat ingeleende krachten, zzp'ers en uitzendkrachten niet meegenomen mochten worden in de loonsomberekening. Het hof verwierp dit: het gaat er niet om of die groepen zelf onder de bouwregelingen vallen, maar of het bedrijf via de activiteiten die het door eigen werknemers én derden laat verrichten, onder de werkingssfeer valt.
Het bedrijf stapte vervolgens naar de Hoge Raad. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft nu een conclusie uitgebracht — een advies aan de Hoge Raad — en stelt daarin dat enkele cassatieklachten van het bedrijf slagen. De kritiek richt zich onder meer op de manier waarop het hof de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit heeft uitgelegd, en op de wijze waarop het hof het deskundigenbericht heeft gevolgd. Volgens de procureur-generaal heeft het hof op bepaalde punten onjuist geoordeeld, onder meer over wat wel en niet in geschil was tussen partijen en over de uitleg van de relevante bepalingen.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de arresten van het hof Amsterdam. Dit betekent dat de Hoge Raad de zaak waarschijnlijk terugverwijst naar een ander hof om opnieuw te beoordelen of het brandbeveiliging bedrijf daadwerkelijk onder de bouwcao's en het verplichtstellingsbesluit valt.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2024:1911, Hoge Raad, 20-12-2024, 23/05028
Hoge Raad · Civiel Recht
ECLI:NL:HR:2024:1139, Hoge Raad, 06-09-2024, 23/00104
Hoge Raad · Civiel Recht
ECLI:NL:HR:2024:209, Hoge Raad, 09-02-2024, 23/00467
Hoge Raad · Civiel Recht
ECLI:NL:HR:2023:1807, Hoge Raad, 22-12-2023, 23/00093
Hoge Raad · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
Civiel Recht; ArbeidsrechtZaaknummer
25/01402
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:338