Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2026:340Strafrecht

Verdachte veroordeeld voor doodslag op partner na drugsgebruik — PHR:2026:340

doodslag / causaal verband / voorwaardelijk opzet / cassatie strafrecht

Eiser / verzoeker

verdachte

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

De procureur-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep; de veroordeling tot 8,5 jaar gevangenisstraf voor doodslag blijft daarmee naar verwachting in stand.

  • Het hof achtte bewezen dat de verdachte samendrukkend geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast en dat dit met aanzienlijke waarschijnlijkheid de doodsoorzaak was, ondanks ook een mogelijke toxicologische verklaring (GHB-overdosis).
  • Het alternatieve scenario van de verdediging — onbewust en onbedoeld halssamendrukkend geweld — werd door het hof verworpen op grond van de aard en ernst van het letsel en de afwezigheid van derden.
  • Het hof oordeelde dat het toepassen van samendrukkend geweld op de hals zozeer gericht is op de dood dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet had op het overlijden van het slachtoffer.
  • Het gedrag van de verdachte ná het overlijden — omkleden van het slachtoffer, wassen van beddengoed, opruimen van drugsgerelateerde spullen en laat alarmeren — speelde een rol in de bewijsvoering.
  • De procureur-generaal concludeert tot verwerping van alle drie de cassatiemiddelen die betrekking hebben op toerekening van de dood, verwerping alternatief scenario en bewijs van opzet.

Samenvatting

In april 2020 werd de partner van een man dood aangetroffen in hun woning. De twee hadden dagenlang samen grote hoeveelheden GHB, lachgas en amfetamine gebruikt. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de man in maart 2025 wegens doodslag tot acht jaar en zes maanden gevangenisstraf. De zaak ligt nu voor bij de Hoge Raad, naar aanleiding van een cassatieberoep dat namens de verdachte is ingesteld.

De vrouw werd op 9 april 2020 gevonden in hun woning. Forensisch onderzoek wees op ernstige stuwing in gezicht en hals, puntbloedingen en andere letselsporen die duiden op samendrukkend geweld op de hals. Tegelijkertijd was er een toxicologische verklaring mogelijk: de in haar bloed aangetroffen GHB-concentratie was zo hoog dat die past bij een dodelijke overdosis. Het tijdstip van overlijden werd geschat tussen 05.30 en 14.30 uur op de dag dat ze werd gevonden.

Het hof stelde vast dat er geen derden aanwezig waren geweest in de woning op de dag van overlijden, en dat deskundigen het scenario waarin de vrouw zichzelf het halsletsel zou hebben toegebracht als onaannemelijk beoordeelden. De verdachte was daarmee de enige die het geweld kon hebben toegepast. Het hof achtte het aannemelijk dat het overlijden met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door dat geweld was veroorzaakt.

De verdediging voerde aan dat de verdachte de hals van zijn partner onbedoeld en onbewust had samengedrukt of toegesnoerd — mogelijk tijdens het drugsgebruik. Het hof verwierp dit alternatieve scenario. Volgens het hof was het toepassen van samendrukkend geweld op de hals zodanig gericht op de dood dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust moet hebben aanvaard. Daarmee was er volgens het hof sprake van ten minste voorwaardelijk opzet op de dood.

Opvallend in de zaak is het gedrag van de verdachte nadat hij constateerde dat zijn partner niet meer reageerde. Hij trok haar bebloed shirt en broekje uit en kleedde haar om. Het beddengoed, waarop bloed zat, deed hij in de wasmachine. Lachgasballonnen schoof hij onder de bank. Pas vijftig minuten nadat hij op zoek was gegaan naar het nummer van de huisarts, belde hij 112 — op een moment dat hij naar eigen zeggen al wist dat zijn partner was overleden. De burgerhulpverlener die als eerste ter plaatse was, constateerde dat de vrouw ijskoud aanvoelde en dat haar arm al stijf was.

In cassatie betwist de verdachte drie punten: dat de dood aan hem kan worden toegerekend, dat het hof het alternatieve scenario terecht heeft verworpen, en dat er sprake was van voorwaardelijk opzet. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie deze middelen besproken. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de veroordeling tot acht jaar en zes maanden gevangenisstraf in stand zou blijven.

Betrokken advocaten

mr. N. van Schaik

verdachte

Van Schaik Van Elst Van Dam Advocaten, UTRECHT

mr. H. Brentjes

verdachte

Van Schaik Van Elst Van Dam Advocaten, UTRECHT

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

25/00952

ECLI

ECLI:NL:PHR:2026:340

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Beveiliger schuldig aan ontucht met bewusteloze vrouw
Parket bij de Hoge Raad·31 mrt 2026
Strafrecht
Hoge Raad: hoger beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard
Parket bij de Hoge Raad·31 mrt 2026
Strafrecht