Conclusie AG over verdeling Tsjechische woning en kinderalimentatie bij echtscheiding — PHR:2026:341
echtscheiding / verdeling huwelijksgemeenschap / kinderalimentatie
Eiser / verzoeker
de man
Verweerder / gedaagde
de vrouw
De Procureur-Generaal heeft conclusie genomen; een inhoudelijke einduitspraak van de Hoge Raad volgt nog.
- Hof oordeelde dat de verkoopopbrengst van de Tsjechische woning in de huwelijksgemeenschap valt, omdat de vrouw geen volledige beëdigde vertaling van de schenkingsakte overlegde waaruit een uitsluitingsclausule bleek
- Hof legde bewijslast voor het bestaan van een resterend banksaldo in Tsjechië bij de man, wat in cassatie wordt betwist als onjuiste verdeling van de bewijslast
- Hof bekrachtigde de waarde van de pensioenbeleggingsrekening op 37.072,96 euro omdat de man in hoger beroep de gestelde 'courante waarde' onvoldoende had onderbouwd
- Hof hield bij de draagkrachtberekening voor kinderalimentatie rekening met de volledige huwelijkse schuldenlast van 1.224 euro per maand in plaats van de helft
Samenvatting
Bij een echtscheiding tussen een Nederlandse man en een Tsjechische vrouw zijn meerdere vermogensbestanddelen in geschil: de verkoopopbrengst van een woning in Tsjechië, een pensioenbeleggingsrekening en de hoogte van de kinderalimentatie. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft conclusie genomen in de cassatieprocedure die de man heeft ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.
Een van de centrale twistpunten betreft een woning in Tsjechië die de vrouw stelde onder een uitsluitingsclausule te hebben gekregen van haar grootmoeder — wat zou betekenen dat de woning niet in de huwelijksgemeenschap zou vallen. Het hof verwierp dit standpunt omdat de vrouw slechts een gedeeltelijke vertaling van de relevante akte overlegde, terwijl van haar een volledige beëdigde vertaling mocht worden verwacht. De woning viel dus in de gemeenschap, maar de vrouw stelde dat de verkoopopbrengst van omgerekend circa 88.500 euro inmiddels was uitgegeven: een deel zou zijn gebruikt voor de aankoop van de voormalige echtelijke woning en de rest zou zijn doorgegeven aan haar ouders.
Het hof oordeelde dat de man moest bewijzen dat er nog een bankrekening in Tsjechië bestond met een resterend saldo. De man kon dit niet aantonen, waardoor de claim op de verkoopopbrengst strandde. In cassatie klaagt de man dat het hof de bewijslast verkeerd heeft verdeeld: het verweer van de vrouw dat het geld op is, zou een bevrijdend verweer zijn waarvan de bewijslast op háár rust, niet op hem. De Procureur-Generaal gaat in zijn conclusie uitvoerig in op deze bewijslastverdeling.
Over de pensioenbeleggingsrekening — met een waarde van bijna 37.073 euro op de peildatum — was het hof kort: de man had in hoger beroep gevraagd uit te gaan van de zogenoemde 'courante waarde', dat wil zeggen het bedrag dat daadwerkelijk wordt uitbetaald bij opzegging. Maar hij had dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Het hof hield daarom vast aan het bedrag dat de rechtbank eerder had vastgesteld op basis van de door de man zelf aangeleverde cijfers.
Bij de kinderalimentatie speelde de vraag hoe rekening moet worden gehouden met gezamenlijke schulden: een studielening bij DUO, een lening bij ING en de kosten van een financial lease voor een auto. De rechtbank had de man slechts de helft van deze maandelijkse lasten van in totaal 1.224 euro toegerekend, omdat de vrouw voor de andere helft draagplichtig zou zijn. Het hof besliste anders: de volledige last van 1.224 euro per maand drukt feitelijk op de man, en dat bedrag moet dan ook volledig worden meegenomen bij het bepalen van zijn draagkracht. Wel constateerde het hof dat de man daarmee in feite namens de vrouw aflost en bij haar geen aanspraak meer kan maken op terugbetaling.
De Procureur-Generaal beoordeelt de cassatieklachten van de man op alle vier de onderdelen. De conclusie strekt ertoe de Hoge Raad te adviseren over de vraag of het hof op de besproken punten het recht juist heeft toegepast. Een definitieve beslissing is aan de Hoge Raad.
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
25/03398
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:341