Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2026:344Strafrecht

Vestia-topman faalt in cassatie over vervalste bevestigingsmails — PHR:2026:344

cassatie / valsheid in geschrift / witwassen / niet-ambtelijke omkoping / Vestia-affaire

Eiser / verzoeker

verdachte (voormalig treasury & control manager Vestia)

VS

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

De procureur-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf (12 maanden voorwaardelijk) in stand zou blijven.

  • Cassatiemiddel over bewijsbestemming van vervalste (pre-)confirmation e-mails faalt: het hof heeft voldoende gemotiveerd dat de e-mails bestemd waren om tot bewijs te dienen, nu ze structureel werden opgeslagen in het administratiesysteem van Vestia
  • Verdachte verwijderde bewust vermeldingen van broker-fees en e-mailadressen van de broker uit bankbevestigingen voordat hij deze doorzond naar de back office, om de inschakeling van een tussenpersoon te verbergen
  • Veroordeling voor gewoontewitwassen berust op de ruim 10 miljoen euro aan steekpenningen die de verdachte ontving en de uitgaven die hij daarmee bekostigde
  • Procureur-generaal concludeert tot verwerping van beide middelen van cassatie
  • Zaak hangt samen met twee andere Vestia-gerelateerde cassatieprocedures (23/04756 en 23/04749) waarin op dezelfde dag werd geconcludeerd

Samenvatting

De voormalige treasury-manager van woningcorporatie Vestia staat opnieuw centraal in een rechtszaak. De man, veroordeeld voor zijn rol in de beruchte Vestia-affaire, probeerde via de Hoge Raad zijn veroordeling voor valsheid in geschrift en gewoontewitwassen aan te vechten.

De verdachte werkte bij Vestia als manager treasury & control en sloot namens de corporatie financiële contracten en derivaten af met banken. In strijd met het beleid van Vestia schakelde hij daarbij een externe broker in: twee medeverdachten die opereerden onder de naam [A]. Vestia wist hier niets van. Telkens wanneer [A] een deal tot stand bracht, ontving dit bedrijf een 'fee' van de bank, en een deel van dat geld werd doorgesluisd naar de verdachte zelf — in totaal ruim tien miljoen euro. Hij deed hiervan nooit melding bij zijn werkgever.

De zaak kwam in 2012 aan het licht nadat één van de medeverdachten aangifte deed bij het Functioneel Parket. Tegelijkertijd bleek dat de massale handel in derivaten in de woningcorporatiesector enorme financiële schade had veroorzaakt — een schandaal dat de geschiedenisboeken inging als de Vestia-affaire.

Het gerechtshof Den Haag veroordeelde de verdachte in november 2023 voor drie feiten: passieve niet-ambtelijke omkoping (het aannemen van steekpenningen zonder dit te melden), valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. De valsheid in geschrift betrof vijftien zogeheten '(pre-)confirmation' e-mails van banken. De banken stuurden deze bevestigingsmails na het afsluiten van een transactie, en daarin stond expliciet vermeld dat er een fee werd betaald aan [A]. De verdachte verwijderde die vermelding uit de mails voordat hij ze doorstuurde naar zijn collega op de back office van Vestia, die de mails vervolgens in het administratiesysteem opsloeg. Ook verwijderde hij in een aantal gevallen het e-mailadres van de broker uit de cc-regel.

In cassatie vocht de verdachte twee punten aan. Ten eerste stelde hij dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de aangepaste e-mails konden gelden als 'geschriften bestemd om tot bewijs te dienen' — een vereiste voor valsheid in geschrift. Ten tweede betwistte hij de veroordeling voor gewoontewitwassen.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert in zijn advies dat beide cassatiemiddelen falen. De conclusie is dat het hof voldoende heeft gemotiveerd dat de vervalste e-mails bewijsbestemming hadden: ze werden immers structureel uitgeprint, gescand en opgeslagen in het administratiesysteem van Vestia als onderbouwing bij de afgesloten contracten. De verdachte wist dit en handelde daar bewust op in door de belastende passages te verwijderen.

De procureur-generaal adviseert de Hoge Raad de cassatieberoepen te verwerpen, zodat de door het hof opgelegde straf van dertig maanden gevangenisstraf, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, in stand zou blijven.

Betrokken advocaten

mr. J.S. Nan

verdachte

Wladimiroff Advocaten, 'S-GRAVENHAGE

mr. S.A.H. Vromen

verdachte

Wladimiroff Advocaten, ROTTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

23/04790

ECLI

ECLI:NL:PHR:2026:344

Bekijk op rechtspraak.nl