Vastgoedfraude: bemiddelaar veroordeeld voor omkoopconstructie woningcorporaties — PHR:2026:345
niet-ambtelijke omkoping / derivatenfraud woningcorporaties / cassatie strafrecht
Eiser / verzoeker
Verdachte (geboren 1971)
Verweerder / gedaagde
Openbaar Ministerie / benadeelde partijen Woningcorporatie De Woonplaats en Woningcorporatie Portaal
Conclusie van de procureur-generaal in cassatie; het hof Den Haag veroordeelde de verdachte eerder tot een taakstraf van 200 uur en verklaarde de schadevergoedingsvorderingen van de woningcorporaties niet-ontvankelijk.
- Verdachte veroordeeld door hof voor medeplegen van actieve niet-ambtelijke omkoping (art. 328ter lid 2 oud Sr): heimelijke feebetalingen aan extern adviseur van woningcorporaties
- Cassatiemiddel verdachte betwist dat de adviseur als 'lasthebber' kwalificeerde en dat de betalingen als 'giften' in de zin van de wet gelden
- Woningcorporaties Portaal en De Woonplaats niet-ontvankelijk verklaard in schadevergoedingsvorderingen; zij tekenen zelf cassatie aan tegen die beslissing
- Zaak is onderdeel van onderzoek Egelantier, voortgekomen uit de Vestia-derivatenaffaire
- Procureur-generaal concludeert in samenhangende zaken 23/04749 en 23/04790 op dezelfde zittingsdag
Samenvatting
Rond 2007 sloten de woningcorporaties Portaal en De Woonplaats een overeenkomst met een extern financieel adviseur — aangeduid als medeverdachte 1 — die hen moest bijstaan in hun treasurycommissies. Wat de corporaties niet wisten: deze adviseur had achter hun rug om een lucratieve geheime afspraak gemaakt met een duo dat zich bezighield met het bemiddelen bij leningen en derivatencontracten voor banken.
Het duo — waarvan de verdachte er één was — ontving van banken een zogenoemde fee telkens als zij een klant aanbrachten. De afspraak met de externe adviseur hield in dat hij corporaties zoals Portaal en De Woonplaats naar het duo zou doorverwijzen. Als die corporaties vervolgens via hun bemiddeling een derivatencontract met een bank afsloten, mocht de adviseur een deel van de bancaire fee opstrijken: aanvankelijk vijftig procent, later een derde. De corporaties werden hier nooit over geïnformeerd.
Deze constructie had alles weg van niet-ambtelijke omkoping: de adviseur deed zijn werk voor de corporaties, maar liet zich tegelijkertijd betalen door de partij waarmee hij hen in contact bracht — zonder dat zijn opdrachtgevers dat wisten. In totaal ontving zijn adviesbureau bijna 495.000 euro aan fees in verband met Portaal en ruim 255.000 euro in verband met De Woonplaats.
Het gerechtshof Den Haag veroordeelde de verdachte wegens het medeplegen van actieve niet-ambtelijke omkoping. In cassatie voert de verdachte aan dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd — met name dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de adviseur als 'lasthebber' van de corporaties optrad en dat de betalingen kwalificeerden als 'giften' in de zin van de wet. Tegelijkertijd tekenden de woningcorporaties zelf cassatie aan, omdat het hof hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk had verklaard.
In deze conclusie buigt de procureur-generaal bij de Hoge Raad zich over beide cassatiemiddelen. De zaak maakt deel uit van het bredere strafrechtelijk onderzoek Egelantier, dat voortkwam uit de beruchte Vestia-affaire: een omkoopschandaal rond derivatencontracten bij woningcorporatie Vestia dat de corporatiesector hard raakte.
De procureur-generaal concludeert dat het middel van de verdachte — dat de bewezenverklaring onvoldoende onderbouwd zou zijn — en het middel van de benadeelde partijen over de afwijzing van de schadevergoedingsvorderingen nader beoordeeld dienen te worden door de Hoge Raad. De definitieve beslissing is aan de Hoge Raad; de verdachte werd door het hof veroordeeld tot een taakstraf van tweehonderd uur, terwijl de vorderingen van Portaal en De Woonplaats tot schadevergoeding door het hof niet-ontvankelijk werden verklaard.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:146, Rechtbank Amsterdam, 15-01-2026, 81/311215-21
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:35, Rechtbank Amsterdam, 08-01-2026, 13-261856-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:10866, Rechtbank Amsterdam, 18-12-2025, 13/235907-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:7705, Rechtbank Amsterdam, 17-10-2025, 13/005158-23
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Materieel Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
23/04756
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:345