Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2026:359Strafrecht

Hof legt onterecht taakstraf op naast gevangenisstraf bij drugszaak — PHR:2026:359

drugszaak / Opiumwet / straftoemeting / combinatie gevangenisstraf en taakstraf

Eiser / verzoeker

verdachte

VS

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

Het eerste cassatiemiddel faalt; het tweede middel slaagt omdat het hof in strijd met art. 9 lid 4 Sr een taakstraf van 240 uur combineerde met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden, waardoor de zaak teruggewezen wordt voor nieuwe strafoplegging.

  • Bewezenverklaring opzettelijk vervoeren van ruim 10 kg MDMA is toereikend gemotiveerd: het hof mocht op basis van de foto en eigen verklaring verdachte oordelen dat de tas en inhoud zichtbaar waren.
  • Voor bewijs van 'vervoeren' in de zin van de Opiumwet is het aantonen van feitelijke machtsuitoefening over de verdovende middelen geen zelfstandig vereiste.
  • Het hof heeft in strijd gehandeld met art. 9 lid 4 Sr door een taakstraf van 240 uur op te leggen naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden (maximum is zes maanden).
  • De redelijke termijn ex art. 6 lid 1 EVRM is overschreden doordat de Hoge Raad meer dan twee jaar na instellen cassatieberoep uitspraak doet.
  • Zaak wordt teruggewezen naar het hof voor hernieuwde strafoplegging.

Samenvatting

Een man werd op 14 juli 2019 aangehouden in Den Haag nadat agenten zijn witte Volkswagen Polo staande hielden naar aanleiding van een melding over een bedreiging met een vuurwapen. In de auto troffen verbalisanten op de achterbank, achter de bijrijdersstoel, een gele Jumbo-boodschappentas aan met daarin zakken gevuld met gekleurde pillen. Laboratoriumonderzoek wees uit dat het ging om ruim tien kilogram MDMA, oftewel XTC-pillen.

De verdachte ontkende wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de drugs. Zijn verklaring was dat medeverdachten kort voor de aanhouding de auto hadden verlaten en dat hij de tas niet had gezien. Op de tas waren bovendien vingerafdrukken van een van die medeverdachten gevonden. De rechtsvraag was dan ook of de man opzettelijk de drugs had vervoerd.

Het gerechtshof verwierp zijn verweer. Het hof stelde vast, mede op basis van een foto in het politiedossier, dat de tas stond op een plek die de bestuurder niet had kunnen missen. De verdachte had zelf ter zitting verklaard dat hij de tas gezien zou moeten hebben als die daar had gestaan. Het hof legde zijn verklaring dat de tas er niet stond naast zich neer als ongeloofwaardig, gelet op het ambtsedige proces-verbaal van de inspecteur die de foto direct na de aanhouding had gemaakt. Het hof concludeerde dat de man moest hebben geweten dat de drugs in zijn auto lagen.

In cassatie klaagde de verdediging dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd. De procureur-generaal bij de Hoge Raad oordeelt dat dit klacht niet opgaat. Het oordeel dat de tas én de inhoud ervan voor de verdachte zichtbaar waren, is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Ook het argument dat de korte tijdsspanne tussen het uitstappen van de medeverdachten en de aanhouding zou betekenen dat de drugs niet in zijn machtssfeer lagen, wordt verworpen: voor het bewijs van vervoeren is feitelijke machtsuitoefening als zodanig geen vereiste. Bovendien leest de procureur-generaal het arrest zo dat de verdachte al tijdens de rit — dus ook vóórdat de anderen uitstapten — zicht had op de tas en haar inhoud.

Het tweede cassatiemiddel treft echter doel. Het hof had naast een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, ook een taakstraf van 240 uur opgelegd. Dat mag wettelijk niet. Artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat een taakstraf naast een gevangenisstraf alleen is toegestaan als het onvoorwaardelijke deel van die gevangenisstraf niet meer dan zes maanden bedraagt. In dit geval bedroeg het onvoorwaardelijke gedeelte acht maanden, zodat de combinatie in strijd is met de wet.

De procureur-generaal concludeert dan ook dat de uitspraak op het punt van de straftoemeting moet worden vernietigd en dat de zaak teruggewezen dient te worden naar het hof voor een nieuwe strafoplegging. Daarbij speelt ook mee dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden.

Betrokken advocaten

mr. R.J. Baumgardt

verdachte

Baumgardt Strafcassatie Advocatuur, ROTTERDAM

mr. M.J. van Berlo

verdachte

Baumgardt Strafcassatie Advocatuur, ROTTERDAM

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 april 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

23/04817

ECLI

ECLI:NL:PHR:2026:359

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken