Hoge Raad buigt zich over te laat ingesteld hoger beroep na geweigerde brief — PHR:2026:364
ontvankelijkheid hoger beroep / termijnoverschrijding / uitreiking gerechtelijke stukken
Eiser / verzoeker
verdachte (geboren 1986)
Verweerder / gedaagde
Openbaar Ministerie
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens termijnoverschrijding; de Procureur-Generaal heeft conclusie genomen en de zaak ligt voor beoordeling bij de Hoge Raad.
- Hof verklaarde hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de beroepstermijn van 14 dagen al liep vanaf de geweigerde uitreiking op 11 augustus 2023
- Verdachte betwistte de weigering maar kon dit niet onderbouwen; akte van uitreiking gold als bewijs
- Advocaat-generaal herzag zijn standpunt tijdens zitting: aanvankelijk ging hij uit van 30 september als startdatum, maar sloot zich uiteindelijk aan bij de augustusdatum
- Cassatiemiddel richt zich op de vraag of het hof op basis van de stukken mocht vaststellen dat de verdachte de uitreiking heeft geweigerd
- Weigering van een brief komt voor rekening en risico van de geadresseerde: de termijn begint te lopen ongeacht of de verdachte de brief feitelijk ontvangt
Samenvatting
Een man uit Brabant werd in juli 2023 bij verstek veroordeeld door de politierechter: twee weken gevangenisstraf voor rijden zonder rijbewijs en een boete van 500 euro voor gevaarlijk rijgedrag. Daarna volgde een ingewikkeld gevecht over de vraag of hij wel op tijd in beroep was gegaan.
Na de veroordeling probeerden deurwaarders en bezorgers meerdere keren de mededeling van de uitspraak aan de man te overhandigen. Op 11 augustus 2023 werd de brief aan zijn deur aangeboden, maar de man weigerde die in ontvangst te nemen, aldus de akte van uitreiking. Op 30 september 2023 volgde een tweede poging: de bezorger noteerde dat de man zich niet wilde identificeren, maar herkende hem wel aan de hand van zijn RDW-foto. Op 16 oktober 2023 stelde de verdachte hoger beroep in.
Bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch verklaarde de man dat hij niets wist van geweigerde brieven. Hij zei de brief wél in ontvangst te hebben genomen — anders, zo redeneerde hij zelf, had hij immers nooit geweten dat hij veroordeeld was. Bovendien meende hij het hoger beroep op de laatste geldige dag te hebben ingediend, op aanraden van een medewerker bij de rechtbank.
Het hof rekende echter van een andere startdatum. Als een verdachte een brief weigert te ontvangen, gaat de beroepstermijn van veertien dagen lopen vanaf dat weigeringsmoment — ook als de verdachte dat zelf betwist. Omdat het hof uitging van de weigering op 11 augustus 2023, was de termijn al ruim verstreken toen de man op 16 oktober beroep instelde. Het hof verklaarde hem daarom niet-ontvankelijk.
De advocaat-generaal had aanvankelijk een ander standpunt: uitgaande van de tweede poging op 30 september 2023 zou het beroep nét op tijd zijn ingesteld. Maar na doorvragen van de voorzitter herzag de advocaat-generaal zijn mening en sloot hij zich aan bij het hof: de weigering in augustus moest als vertrekpunt gelden.
De man liet het er niet bij zitten en stelde cassatieberoep in, bijgestaan door advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo uit Rotterdam. Zij klagen dat het hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat de verdachte de brief op 11 augustus weigerde, en dat de niet-ontvankelijkverklaring daarmee op onvoldoende gronden berust.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft op 7 april 2026 conclusie genomen in deze zaak. De kern van het cassatiemiddel is of het hof op basis van de beschikbare stukken mocht vaststellen dat de verdachte de uitreiking had geweigerd, en of die vaststelling de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep kan dragen. De Hoge Raad moet zich nu over deze vraag buigen.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2025:6292, Rechtbank Midden-Nederland, 24-11-2025, 16.099372.21
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:12746, Rechtbank Rotterdam, 25-09-2025, 10/067438-24
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:10094, Rechtbank Rotterdam, 18-08-2025, 83-336603-23
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:9891, Rechtbank Rotterdam, 30-07-2025, 10-227235-24
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
7 april 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
24/01001
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:364