Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2026:375Strafrecht

PG adviseert Hoge Raad: hof ten onrechte verdachte niet-ontvankelijk verklaard — PHR:2026:375

strafprocesrecht / niet-ontvankelijkheid hoger beroep / aanhoudingsverzoek aanwezigheidsrecht

Eiser / verzoeker

verdachte (geboren 1992)

VS

Verweerder / gedaagde

het openbaar ministerie

De procureur-generaal concludeert dat het cassatiemiddel slaagt en adviseert de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Den Haag te vernietigen.

  • Het hof wees het aanhoudingsverzoek af op de grond dat de onderbouwing onvoldoende concreet was, zonder de vereiste belangenafweging te maken.
  • De dagvaarding in hoger beroep was niet in persoon betekend, waardoor niet zonder meer kan worden aangenomen dat de verdachte weet had van de zitting.
  • Volgens de PG had het hof moeten afwegen tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang bij een voortvarende berechting, conform HR 3 maart 2026.
  • Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk op grond van art. 416 lid 2 Sv omdat hij geen grieven had ingediend en geen mondeling bezwaar had opgegeven.
  • De PG concludeert dat het cassatiemiddel slaagt en adviseert vernietiging van het arrest.

Samenvatting

Een man die in eerste aanleg was veroordeeld voor mishandeling van een ambtenaar, werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De reden: hij had geen schriftelijke grieven ingediend en was niet verschenen op de zitting. Zijn raadsman was wel aanwezig, maar had geen machtiging om namens hem op te treden. De verdachte kon daardoor geen mondeling bezwaar maken tegen het vonnis, wat de wet vereist om een hoger beroep inhoudelijk te laten behandelen.

Voordat het hof de niet-ontvankelijkheid uitsprak, had de raadsman verzocht de zaak aan te houden. Hij legde uit dat hij al langere tijd geen contact kon krijgen met de verdachte, maar dat die een week voor de zitting nog had geprobeerd hem te bellen. De raadsman had hem gevraagd later terug te bellen, maar dat was niet gebeurd. Eerder, in januari 2025, had de verdachte via WhatsApp contact opgenomen over onderzoekswensen en aangegeven dat hij lang in het buitenland was geweest. Op basis hiervan vermoedde de raadsman dat de verdachte gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht.

Het hof wees het aanhoudingsverzoek af. Volgens het hof was wat de raadsman aanvoerde onvoldoende concreet om het vermoeden te onderbouwen dat de verdachte aanwezig wilde zijn. Vervolgens werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

De verdachte ging in cassatie. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft nu een conclusie uitgebracht en is van mening dat het hof dit niet goed heeft aangepakt. De PG wijst op een recent arrest van de Hoge Raad uit maart 2026, waarin is uitgelegd hoe rechters aanhoudingsverzoeken in dit soort situaties moeten beoordelen. Dat kader schrijft voor dat wanneer de dagvaarding niet in persoon is betekend — wat hier het geval was — de rechter niet zomaar kan vaststellen dat de verdachte weet had van de zitting. Er moet dan een afweging worden gemaakt tussen het belang van de verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht en het belang van een voortvarende berechting.

Die afweging heeft het hof volgens de PG niet gemaakt. Het hof beoordeelde slechts of het vermoeden van de raadsman voldoende concreet was onderbouwd, maar ging niet na of voldoende vaststond dat de verdachte daadwerkelijk van de zitting op de hoogte was. Omdat de dagvaarding niet in persoon was uitgereikt en de raadsman had aangegeven dat de verdachte mogelijk niet wist van de zittingsdatum, had het hof de vereiste belangenafweging moeten maken en die moeten motiveren.

De PG concludeert dat het middel van de verdachte slaagt en adviseert de Hoge Raad het arrest van het hof te vernietigen. De zaak zou dan opnieuw moeten worden behandeld.

Betrokken advocaten

mr. R.J. Baumgardt

verdachte

Baumgardt Strafcassatie Advocatuur, ROTTERDAM

mr. M.J. van Berlo

verdachte

Baumgardt Strafcassatie Advocatuur, ROTTERDAM

mr. R.I. van Haneghem

verdachte

Pennings & Van Haneghem Advocaten, ROTTERDAM

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 april 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

25/00546

ECLI

ECLI:NL:PHR:2026:375

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Hof wijst tolkhoorverzoek af in bedreigingszaak
Parket bij de Hoge Raad·7 april 2026
Strafrecht
Verdachte beroept zich tevergeefs op verhuurder bij hennepkwekerij
Parket bij de Hoge Raad·7 april 2026
Strafrecht