Rechtbank bereidt overlevering voor ondanks alimentatieverzuim — RBAMS:2026:2996
Europees aanhoudingsbevel / overlevering / dubbele strafbaarheid alimentatieverzuim / prejudiciële vragen EU Hof
Eiser / verzoeker
Officier van justitie (namens de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit, Regional Court in Jelenia Góra)
Verweerder / gedaagde
De opgeëiste persoon
De rechtbank wijst een tussenuitspraak en bereidt de definitieve overlevering voor door de weigeringsgrond wegens ontbreken van dubbele strafbaarheid buiten toepassing te laten en de prejudiciële vragen als beantwoord te beschouwen.
- Niet betalen van alimentatie is naar Nederlands recht geen strafbaar feit, tenzij het kind daardoor in een hulpbehoevende situatie terechtkomt
- De rechtbank ziet af van de weigeringsgrond wegens ontbreken van dubbele strafbaarheid vanwege onvoldoende binding met de Nederlandse rechtsorde
- Polen heeft een terugkeergarantie verstrekt zodat de opgeëiste persoon een eventuele straf in Nederland kan uitzitten
- Het Hof van Justitie EU oordeelde op 15 januari 2026 dat dubbele strafbaarheid geen verplichte weigeringsgrond mag zijn bij tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen
- De WETS werd per 1 oktober 2024 al aangepast in lijn met het arrest van het Hof van Justitie
Samenvatting
Een Poolse man die al jaren in Nederland woont, wordt door Polen via een Europees aanhoudingsbevel (EAB) opgeëist. De beschuldiging: het niet betalen van kinderalimentatie. De zaak sleepte zich voort van 2023 tot 2026 en leidde tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie.
Het kernprobleem is dat het niet betalen van alimentatie in Nederland géén strafbaar feit is, tenzij het kind daardoor in een hulpbehoevende situatie terechtkomt. Dat laatste blijkt niet uit het Europees aanhoudingsbevel. Op grond van de Nederlandse Overleveringswet is overlevering dan in principe verboden wegens het ontbreken van zogeheten 'dubbele strafbaarheid': het feit moet zowel in het verzoekende land als in Nederland strafbaar zijn.
Toch besloot de rechtbank van deze weigeringsgrond af te zien. Doorslaggevend was dat de zaak onvoldoende binding heeft met de Nederlandse rechtsorde. Het gaat om een Poolse verdachte die alimentatie schuldig is aan een Pools kind dat in Polen woont. Dat de man zelf op dat moment toevallig in Nederland verbleef, maakt het feit nog niet Nederlands genoeg om de weigering te rechtvaardigen. Polen wil de man zelf vervolgen en heeft daarvoor ook goede redenen aangevoerd.
Omdat de man al jaren rechtmatig in Nederland woont en hier het middelpunt van zijn leven heeft, heeft hij recht op een zogenoemde terugkeergarantie. Die houdt in dat hij een eventuele gevangenisstraf in Nederland mag uitzitten. Polen heeft die garantie ook verstrekt. Maar dan doet zich een complicatie voor: als de man in Polen wordt veroordeeld en teruggezonden moet worden naar Nederland, kan de Nederlandse minister van Justitie de erkenning van dat Poolse vonnis weigeren — juist omdat het feit in Nederland niet strafbaar is. Daarmee zou de terugkeergarantie een lege huls worden.
Om die vraag te beantwoorden stelde de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Op 15 januari 2026 deed het Hof uitspraak. Het oordeelde dat EU-lidstaten bepaalde weigeringsgronden — waaronder de dubbele strafbaarheid — niet als verplichte weigeringsgronden mogen behandelen bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen. Bovendien bepaalde het Hof dat als een overlevering al afhankelijk is gesteld van een terugkeergarantie en de rechtbank de weigeringsgrond heeft laten vallen, de minister in een latere procedure niet opnieuw mag toetsen of het ontbreken van strafbaarheid alsnog een reden is om terugkeer te weigeren.
Tussentijds paste de Nederlandse wetgever de relevante wet (de WETS) ook al aan: wat voorheen een verplichte weigeringsgrond was, werd per 1 oktober 2024 een facultatieve bevoegdheid. Daarmee bewoog de wet al in de richting die het Hof van Justitie later zou voorschrijven. De rechtbank concludeert dat de overlevering kan worden toegestaan, nu alle juridische bezwaren zijn weggenomen of beantwoord. De zaak is daarmee na bijna drie jaar juridisch steekspel klaar voor een eindbeslissing.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:674, Rechtbank Amsterdam, 29-01-2026, 13/080481-25 (zaak A), 13/386831-24 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd).
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:711, Rechtbank Amsterdam, 28-01-2026, 13/053137-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:10797, Rechtbank Amsterdam, 30-12-2025, 13/147868-23
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:10867, Rechtbank Amsterdam, 24-12-2025, 13/186495-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
19 maart 2026
Instantie
Rechtbank AmsterdamRechtsgebied
Strafrecht; Europees StrafrechtZaaknummer
13/161114-23
Procedure
Tussenuitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:2996