Rechter veroordeelt jongeman voor treinroof en gijzeling op traject Nijmegen-Amsterdam — RBAMS:2026:3121
treinroof / wederrechtelijke vrijheidsberoving / afpersing / diefstal met geweld
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie
Verweerder / gedaagde
Verdachte (geboren 2004)
Verdachte is schuldig bevonden aan medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing; de concrete strafmaat blijkt niet volledig uit de aangeleverde tekst.
- Rechtbank acht medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen: de urenlange intimiderende situatie en het actief terugsturen van slachtoffers op station Arnhem overstijgt een 'gewone beroving in een rijdende trein'.
- Verweer dat verdachte niet de hoge stem had en de jas via hasj verkreeg, werd verworpen: camerabeelden en verklaringen van twee aangevers over de man met de Louis Vuitton muts zijn redengevend genoeg.
- Diefstal met geweld en afpersing bewezen: verdachte toonde een mes, sloeg een aangever en droeg diens afgepakte jas aantoonbaar op de camerabeelden.
- Voor wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Sr) is absolute onmogelijkheid van fysieke verplaatsing niet vereist; het creëren van een dwangsituatie waarbij slachtoffers niet vrijelijk kunnen vertrekken volstaat.
- Naast de nieuwe feiten lag ook een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf voor.
Samenvatting
Op 19 juli 2025 stapten drie minderjarige aangevers in een trein van Nijmegen naar Amsterdam. Gedurende de gehele reis werden zij belaagd door een groep jongeren, onder wie een destijds 21-jarige verdachte. Wat begon als een beroving, groeide uit tot een urenlange nachtmerrie waarbij de slachtoffers zich gegijzeld voelden.
De groep omsingelde de slachtoffers in de coupé, toonde messen en maakte er steekbewegingen mee. De aangevers werden geslagen en gedwongen om kleding, sieraden, telefoons, pasjes en geld af te geven. Eén van de slachtoffers mocht niet opstaan, niet naar de wc en niet naar de belagers kijken. Hij voelde zich, in zijn eigen woorden, gegijzeld. De aangevers durfden geen contact te zoeken met een conducteur of politie omdat de groep voortdurend om hen heen stond.
Op station Arnhem stapten zowel de aangevers als de verdachten even uit. Toen de slachtoffers probeerden een andere coupé in te stappen, riepen de verdachten hen terug: 'Kom terug, kom hierheen!' en 'Jullie moeten met ons mee!' Uit angst voor de messen gingen de aangevers gehoorzaam weer in dezelfde coupé zitten. De beklemmende situatie duurde voort totdat de groep in Amsterdam uitstapte.
De verdachte ontkende een centrale rol te hebben gespeeld. Zijn advocaat voerde aan dat hij weliswaar aanwezig was in de coupé — herkenbaar aan zijn grijze Louis Vuitton muts — maar dat niet kon worden bewezen dat hij de feiten had medegepleegd. Eén van de aangevers had de man met de muts beschreven als iemand met een hoge stem, en die heeft de verdachte niet. De jas die hij droeg, zou hij in ruil voor hasj hebben gekregen van een medeverdachte, niet gestolen hebben.
De rechtbank verwierp deze verweren. Twee aangevers hadden uitdrukkelijk over de jongen met de Louis Vuitton muts verklaard: hij had een mes getoond en één van hen geslagen en zijn jas afgepakt. De camerabeelden bevestigden dat de verdachte op een gegeven moment een jas droeg die hij bij het instappen niet had. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen over de hoge stem en het hasj-verhaal geen geloofwaardige verklaring vormden die het bewijs ontzenuwde.
Over de vrijheidsberoving — het zwaarst betwiste onderdeel — was de verdediging van mening dat een zekere mate van vasthouding nu eenmaal inherent is aan een beroving in een rijdende trein. De rechtbank dacht daar anders over. De wet vereist niet dat fysieke verplaatsing absoluut onmogelijk is; voldoende is dat er een dwangsituatie ontstaat waarbij slachtoffers geen vrije keuze meer hebben om te vertrekken. Juist de combinatie van getalsmatig overwicht, geweld, messen, de episode op station Arnhem waarbij de aangevers actief werden teruggestuurd, en de urenlange duur van de situatie, maakte dat er sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van de wet.
De rechtbank verklaarde alle drie de feiten bewezen: wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing, telkens gepleegd als medepleger. De uitspraak in het vonnis vermeldt de bewezenverklaring; de concrete straf zal volgen uit het volledige vonnis inclusief de strafmotivering, waarbij ook de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf (parketnummer 13/252114-24) aan de orde was.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:1010, Rechtbank Amsterdam, 03-02-2026, 13/219514-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:14879, Rechtbank Noord-Holland, 19-12-2025, 15/061871-24 (zaak A), 15/325888-24 (zaak B), 13/255412-24 (zaak C), 13/029541-24 (zaak D) en 15/099045-25 (zaak E)
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:14984, Rechtbank Noord-Holland, 19-12-2025, 15/052626-24 (zaak A), 15/325854-24 (zaak B), 15/184736-23 (zaak C) en 15/294036-21
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:14297, Rechtbank Noord-Holland, 05-12-2025, 15.138888.24
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank AmsterdamRechtsgebied
Strafrecht; Materieel StrafrechtZaaknummer
13/337635 en 13/252114-24 (TUL).
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:3121