Rechtbank staat overlevering Poolse man aan Polen toe ondanks verstek — RBAMS:2026:3194
overlevering / Europees aanhoudingsbevel / verstek-veroordeling
Eiser / verzoeker
Officier van justitie (Internationale Rechtshulpkamer)
Verweerder / gedaagde
Opgeëiste persoon (Poolse nationaliteit)
Overlevering van de opgeëiste Poolse man aan Polen wordt toegestaan voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van één jaar en acht maanden.
- De weigeringsgrond van artikel 12 OLW (veroordeling bij verstek) is aanwezig, maar de rechtbank ziet af van weigering omdat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig was met zijn bereikbaarheid en stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
- Oproepen voor de zittingen werden naar het door de man zelf opgegeven adres gestuurd maar niet opgehaald; de man had een schriftelijke adresinstructie ontvangen over zijn meldplicht bij adreswijziging.
- De feiten leveren naar Nederlands recht op: gekwalificeerde diefstal (art. 312 Sr) en poging tot diefstal door verenigde personen, waarmee aan de dubbele strafbaarheidseis is voldaan.
- De structurele gebreken in de Poolse rechtsorde vormen geen weigeringsgrond omdat de man geen concreet individueel gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces heeft aangetoond.
- De vordering tot gevangenhouding werd afgewezen omdat de opgeëiste persoon in deze procedure nooit in bewaring of verzekering was gesteld.
Samenvatting
Een Poolse man die al ongeveer vier jaar in Nederland woont, moet worden uitgeleverd aan Polen om daar een gevangenisstraf van een jaar en acht maanden uit te zitten. Die straf werd hem opgelegd voor gewapende diefstal en een poging tot diefstal, gepleegd door meerdere personen samen. De man was echter niet aanwezig bij zijn eigen proces in Polen.
De verdediging verzette zich tegen de overlevering en voerde aan dat de man zijn verdedigingsrechten nooit heeft kunnen uitoefenen. Hij stelde dat hij nooit officiële post had ontvangen over de strafrechtelijke procedure. Zijn moeder woonde op het adres dat hij had opgegeven en hield hem altijd op de hoogte van post, maar had hem nooit iets laten weten over een rechtszaak. De man vertelde ook dat hij aan een reclasseringsambtenaar had gemeld dat hij naar Nederland zou vertrekken.
De rechtbank erkende dat er formeel sprake was van een reden om de overlevering te weigeren: de man was bij zijn veroordeling niet aanwezig en er gold geen uitzondering op die regel. Toch besloot de rechter van die weigeringsmogelijkheid geen gebruik te maken. Uit informatie van de Poolse autoriteiten bleek namelijk dat de oproepen voor de zittingen wél naar het door de man zelf opgegeven adres waren gestuurd, maar daar niet door hem waren opgehaald. Bovendien was hij tijdens het vooronderzoek meerdere keren gehoord en had hij toen steeds hetzelfde adres opgegeven. Hij had ook een schriftelijke waarschuwing gekregen dat hij verplicht was adreswijzigingen door te geven.
De rechtbank oordeelde dat de man ofwel bewust afstand had gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij zijn proces, ofwel op zijn minst onzorgvuldig was omgegaan met zijn bereikbaarheid voor officiële post. Dat hij aan een reclasseringsambtenaar had gemeld dat hij naar Nederland ging, hielp hem niet: die ambtenaar was niet betrokken bij de betreffende strafzaak, en de mededeling was bovendien niet meer dan een algemene aankondiging dat hij zou vertrekken.
De man voerde ook aan dat de gebreken in de Poolse rechtsstaat — die de Amsterdam rechtbank eerder al heeft vastgesteld — hem persoonlijk raakten. De rechter verwierp dit verweer omdat de man geen concrete aanwijzingen had gegeven dat die gebreken daadwerkelijk invloed hebben gehad op de behandeling van zijn specifieke zaak.
De rechtbank stond de overlevering aan Polen toe.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:1353, Rechtbank Amsterdam, 04-02-2026, 13/241391-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:1058, Rechtbank Amsterdam, 04-02-2026, 13/282507-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:1037, Rechtbank Amsterdam, 03-02-2026, 13-309204-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Internationaal Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:1039, Rechtbank Amsterdam, 03-02-2026, 13-296635-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Internationaal Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank AmsterdamRechtsgebied
Strafrecht; Europees StrafrechtZaaknummer
13.014.717-26 (EAB I)
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:3194