Burgemeester sluit Amsterdams restaurant zes maanden na reeks explosies — RBAMS:2026:3224
bestuurlijke sluiting pand / openbare orde / APV
Eiser / verzoeker
verzoekster B.V. (restauranteigenaar)
Verweerder / gedaagde
Burgemeester van Amsterdam
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de sluiting van het restaurantpand voor zes maanden van kracht blijft.
- De burgemeester heeft op grond van artikel 2.10 lid 1 sub e APV het restaurantpand voor zes maanden gesloten wegens ernstig gevaar voor de openbare orde door meerdere explosie-incidenten.
- De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig dat de sluiting noodzakelijk, geschikt en evenredig is, ook al is de restauranteigenaar zelf geen verdachte maar slachtoffer.
- Het feit dat na de sluiting op een andere locatie opnieuw een explosie plaatsvond, doet geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de sluiting van het restaurantpand.
- De burgemeester dient de voortduring van de sluiting regelmatig te toetsen; de eigenaar kan ook zelf een verzoek tot heropening indienen.
- Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen; het sluitingsbevel van 9 februari 2026 blijft ongeschorst van kracht.
Samenvatting
Een Amsterdams restaurant is op last van de burgemeester voor zes maanden gesloten nadat er in korte tijd meerdere ernstige geweldsincidenten bij en rondom het pand plaatsvonden. De eigenaar van het restaurant stapte naar de rechter om die sluiting tegen te houden, maar zonder succes.
De aanleiding voor de sluiting was een reeks alarmerend incidents. In de nacht van 21 januari 2026 werden eerst twee personen door omstanders aangehouden die van plan waren brand te stichten bij het restaurant; bij hen werd een explosief gevonden. Diezelfde avond later werd opnieuw iemand aangehouden met explosieven op zak. Naar aanleiding hiervan stelde de burgemeester tijdelijk cameratoezicht in rondom het pand.
Daarna escaleerde de situatie verder. Er vond een daadwerkelijke explosie plaats bij het restaurantpand, waarbij roetschade ontstond en een gat in het kozijn naast de voordeur werd geslagen. Ook een ander bedrijf waarbij de eigenaar van het restaurant bestuurder is, werd getroffen door een explosie. En in de nacht van 9 februari 2026 deed iemand opnieuw een poging om een explosief te plaatsen bij het restaurant — de vermoedelijke dader werd ditmaal door omstanders met een metalen stok mishandeld.
De burgemeester besloot op 9 februari 2026 het pand voor zes maanden te sluiten. Het oogmerk: een periode van rust creëren om de openbare orde te herstellen en de politie de ruimte geven om te onderzoeken wat er achter de geweldsreeks schuilgaat. Uit het dossier bleek dat jonge verdachten werden aangespoord om tegen betaling explosieven te plaatsen bij panden van de eigenaar, maar over de achtergrond van de incidenten was op dat moment nog niets bekend.
De eigenaar van het restaurant verzette zich fel tegen de sluiting. Hij benadrukte dat hij zelf slachtoffer is en geen enkele strafbare betrokkenheid heeft bij de incidenten. Bovendien wees hij erop dat de sluiting niet effectief bleek: ook ná de sluiting vond er nog een explosie plaats bij zijn kantoor op een andere locatie. Hij vond de maatregel buitenproportioneel, gezien de zware gevolgen voor hemzelf, zijn gezin, werknemers, bezoekers en buurtondernemers. In zijn optiek had de burgemeester moeten afzien van sluiting, of in elk geval een kortere sluitingsduur moeten opleggen.
De voorzieningenrechter volgde deze redenering niet. Zij oordeelde dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting. De combinatie van meerdere geweldsincidenten in korte tijd, het doorgaan van pogingen zelfs na het instellen van cameratoezicht, en het oplopende geldbedrag dat werd geboden voor het plaatsen van explosieven, rechtvaardigde ingrijpen. Dat er op een andere locatie later nog een explosie plaatsvond, maakte de sluiting van het restaurantpand niet minder noodzakelijk of geschikt. De nadelen voor de ondernemer en zijn omgeving wogen volgens de rechter niet op tegen het algemeen belang van openbare orde en veiligheid.
Wel benadrukte de rechter dat van de burgemeester wordt verwacht dat zij blijft toetsen of de voortduring van de sluiting nog steeds noodzakelijk is. De eigenaar heeft bovendien de mogelijkheid om zelf een verzoek tot heropening in te dienen. Het verzoek om de sluiting te schorsen werd afgewezen, waarmee het sluitingsbevel van kracht blijft.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:190, Raad van State, 14-01-2026, 202402888/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:7773, Rechtbank Amsterdam, 22-10-2025, AMS 25/5644, 25/5749, 25/5756, 25/5759 en 25/5762
Rechtbank Amsterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:7586, Rechtbank Amsterdam, 14-10-2025, AMS 25/5568
Rechtbank Amsterdam · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:7393, Rechtbank Amsterdam, 03-10-2025, AMS 25/5288
Rechtbank Amsterdam · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank AmsterdamRechtsgebied
Bestuursrecht; BestuursprocesrechtZaaknummer
26/1211
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:3224