Juristi.nl
ECLI:NL:RBASS:2012:BY3515Strafrecht

ECLI:NL:RBASS:2012:BY3515, Rechtbank Assen, 13-11-2012, 19.810465-10 — RBASS:2012:BY3515

Samenvatting

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor weergegeven MMA-melding onvoldoende concreet en niet genoegzaam getoetst is om op zichzelf de grondslag te kunnen vormen voor een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 9 van de Opiumwet. De rechtbank stelt vast dat -behoudens een adrestoetsing- geen nader onderzoek is verricht, om de betrouwbaarheid van de informatie te toetsen. Gelet op de omstandigheid dat een onderzoek in de woning naar aanleiding van een eerdere MMA melding niets had opgeleverd, was nu extra reden om terughoudendheid te betrachten en nader onderzoek te verrichten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank -met de raadsman- van oordeel dat, bij gebreke van een redelijk vermoeden voor de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning van verdachte het binnentreden in de woning door de politie onrechtmatig was. Bij de beslissing welk gevolg aan het onrechtmatig binnentreden moet worden verbonden heeft de rechtbank op de voet van artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering rekening gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Nu het in de woning aangetroffen bewijsmateriaal rechtstreeks door het verzuim is verkregen en naar het oordeel van de rechtbank door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift en rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, dient dat materiaal van het bewijs te worden uitgesloten. De bewijsuitsluiting treft echter naar het oordeel van de rechtbank alleen het bewijs dat rechtstreeks door het verzuim is verkregen. Er moet een direct causaal verband zijn tussen het bewijsmateriaal en het geschonden vormvoorschrift. Alleen datgene wat door het vormverzuim wordt gevonden, komt in aanmerking voor uitsluiting. Dit betekent dat, ook al vloeien alle onderzoeksresultaten voort uit onrechtmatig handelen in den beginne, later verkregen -secundair- bewijsmateriaal niet behoeft te worden uitgesloten wanneer aannemelijk is dat er ook andere factoren aan die verkrijging van secundair materiaal hebben bijgedragen. Wanneer zoals in casu ten gevolge van een onrechtmatige huiszoeking de verdachte wordt aangehouden en deze vervolgens nadat hem de cautie is gegeven een verklaring aflegt bij de politie, de rechter-commissaris of ter terechtzitting, dan behoeft deze verklaring niet te worden uitgesloten. De verdachte kon namelijk zwijgen. Dit heeft hij echter niet gedaan. De verklaring van verdachte ter terechtzitting en de verklaring van mede-verdachte [V1] bij de rechter-commissaris kunnen derhalve wel tot het bewijs dienen. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen. De rechtbank is voorts, anders dan de raadsman stelt, van oordeel dat wel sprake is van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 Opiumwet gegeven verbod omdat verdachte een afgesloten ruimte ter beschikking heeft gesteld terwijl hij wist dat deze ruimte zou worden gebruikt ten behoeve van hennepteelt en voorts de meterkast heeft aangewezen voor het maken van een aftappunt voor stroom voor die hennepteelt. Uit voornoemde omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en zijn broer en daarmee staat tevens vast dat sprake is van medeplegen. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

Betrokken advocaten

mr. M. Veldman

verdachte

Vink Veldman & Swier Advocaten, AMSTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

13 november 2012

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

19.810465-10

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBASS:2012:BY3515

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBASS:2012:BY7449
Rechtbank Assen·28 dec 2012
Strafrecht
RBASS:2012:BY7446
Rechtbank Assen·28 dec 2012
Strafrecht
RBASS:2012:BY7545
Rechtbank Assen·28 dec 2012
Strafrecht