ECLI:NL:RBDHA:2017:9191, Rechtbank Den Haag, 03-08-2017, 17_2027 — RBDHA:2017:9191
Samenvatting
Meervoudige Kamer, 1(F) Vluchtelingenverdrag, mensenhandel. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit niet, dan wel niet conform het beleid zoals neergelegd in Werkinstructie 2014/10, heeft beoordeeld of het asielrelaas van eiser geloofwaardig dient te worden geacht en verweerder niet heeft aangegeven welke passages uit het relaas ongeloofwaardig worden geacht, overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de bewijslast(verdeling) in het kader van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag een bijzondere is. Verweerder moet aantonen dat er 'ernstige redenen' zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is, hoeft echter niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig door verweerder worden gemotiveerd. Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling schuldig heeft gemaakt, dient de vreemdeling, wil hij voorkomen dat artikel 1F van toepassing wordt verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen. Om te kunnen bepalen of een vreemdeling individueel voor handelingen als bedoeld in artikel 1(F), verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf of de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan artikel 1(F) worden tegengeworpen.Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet hoeft aan te tonen dat aan alle elementen van de delictsomschrijving van artikel 273f Sr is voldaan. Bij de beantwoording van de vraag of ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, heeft verweerder zich terecht gebaseerd op de verklaringen van eiser tijdens de gehoren. Nu dit niet een klassieke beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas betreft, was verweerder niet gehouden het relaas van eiser conform het beleid neergelegd in Werkinstructie 2014/10 te beoordelen. Overigens heeft verweerder, blijkens het bestreden besluit en de toelichting daarop ter zitting, de geloofwaardigheid van eisers relaas wel beoordeeld. Verweerder concludeert immers dat geloofwaardig wordt geacht dat eiser samen met zijn moeder en broer een bordeel heeft geëxploiteerd in Irak en stelt vervolgens dat eiser in zijn verklaringen de werkomstandigheden en de situatie van de vrouwen heeft gebagatelliseerd. Tevens stelt verweerder dat aan de verklaringen van eiser dat de vrouwen vrij waren en geen eigendom waren, geen geloof wordt gehecht. Bij de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verweerder steeds in het voornemen, dat is herhaald en ingelast in het bestreden besluit, passages uit eisers relaas geciteerd en daarna aangegeven welke conclusies verweerder daaraan verbindt. Hetgeen eiser aanvoert, faalt daarom.
Betrokken advocaten
mr. F. Fonville
eiser
mr. B. van Beers
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2025:219, Raad van State, 27-01-2025, BRS.24.000070
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:20984, Rechtbank Den Haag, 02-12-2024, NL24.4069
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:17851, Rechtbank Den Haag, 27-08-2024, NL23.38753
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2024:2554, Raad van State, 25-06-2024, 202403124/1/V2 en 202403124/2/V2
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 augustus 2017
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
17_2027
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2017:9191