Juristi.nl

ECLI:NL:RBDHA:2020:694, Rechtbank Den Haag, 14-01-2020, AWB 16/24120, AWB 16/28902, AWB 16/29920 — RBDHA:2020:694

Samenvatting

visum kort verblijf; einduitspraak na prejudiciële verwijzing; positie referente; uitleg Visumcode bij verplicht procederen in vertegenwoordigende staat; effectieve rechtsbescherming, familie- of gezinsleven. artikelen 8, lid 4 en 32, lid 3 Visumcode; artikel 47 Handvest; artikel 8 EVRM. In het arrest van 29 juli 2019 (zaak C-680-17) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) antwoord gegeven op vier prejudiciële vragen van deze rechtbank. In navolging van het arrest van het Hof oordeelt de rechtbank dat referente niet zelfstandig beroep kan instellen tegen het besluit tot weigering van het visum van eisers. De rechtbank merkt referente wel aan als belanghebbende partij bij de beroepen van eisers. Gelet op het arrest oordeelt de rechtbank verder dat nu Nederland op grond van de vertegenwoordigingsregeling de bevoegdheid om op visumaanvragen te beslissen volledig heeft overgedragen aan Zwitserland, zij daarom niet bevoegd is om de visumaanvragen van eisers in ontvangst te nemen en daarover een beslissing te nemen. Dit geldt dan ook voor de visumaanvraag ingediend door referente. Gezien de doelstelling van de Visumcode heeft Nederland aanleiding gezien om voor visumaanvragers uit Sri Lanka de bilaterale regeling (note verbale) te sluiten met Zwitserland. Dat er volgens eisers geen noodzaak is voor deze bilaterale regeling, kan dat niet anders maken. Van een resterende bevoegdheid voor Nederland op grond van de bilaterale regeling is niet gebleken. Op grond van de bilaterale regeling kunnen eisers hun visumaanvragen alleen bij de Zwitserse vertegenwoordiging in Colombo indienen. Verweerder kan aan die bilaterale regeling ook niet (eenzijdig) voorbijgaan. Verweerder heeft daarom terecht geweigerd om de bij de Visadienst in Nederland ingediende visumaanvragen van eisers en van referente in behandeling te nemen. In het arrest heeft het Hof geoordeeld dat een gecombineerde uitlegging van artikel 8, vierde lid, aanhef en onder d, en artikel 32, derde lid, van de Visumcode, op grond waarvan beroep tegen een besluit tot weigering van een visum moet worden ingesteld tegen de vertegenwoordigende staat, verenigbaar is met het fundamentele recht op effectieve rechterlijke bescherming als bedoeld in artikel 47 van het Handvest. Dat eisers hun beroep tegen het besluit tot weigering van een visum (hebben) moeten instellen bij de rechtbank in de vertegenwoordigende staat, Zwitserland, is volgens het Hof ook niet in strijd met het fundamentele recht op effectieve rechterlijke bescherming als bedoeld in artikel 47 van het Handvest. De rechtbank oordeelt daarom dat, nu verweerder de bezwaren van eisers en die van referente tegen de weigering van hun visa terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij niet toekomt aan een beoordeling van het beroep van referente op artikel 8 van het EVRM in het kader van de visumprocedures van eisers. Eisers en referente moeten dat beroep aan de orde stellen in de procedure in Zwitserland. Dat geldt ook voor hun grieven over de hoogte van de leges en over de hoorplicht. Zo nodig kunnen zij hierover een klacht bij het EHRM indienen. De beroepen zijn ongegrond.

Betrokken advocaten

mr. A. Hadfy-Kovacs

eiser

mr. M.J.A. Leijen

eiser

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

14 januari 2020

Zaaknummer

AWB 16/24120, AWB 16/28902, AWB 16/29920

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2020:694

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBDHA:2025:27158
Rechtbank Den Haag·26 november 2025
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht
RBDHA:2024:18965
Rechtbank Den Haag·14 november 2024
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht
RBDHA:2022:5208
Rechtbank Den Haag·2 juni 2022
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht
RBDHA:2013:9473
Rechtbank Den Haag·31 juli 2013
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht
RBDHA:2013:9467
Rechtbank Den Haag·31 juli 2013
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht