Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2021:12781Civiel Recht

ECLI:NL:RBDHA:2021:12781, Rechtbank Den Haag, 24-11-2021, C-09-594910-HA ZA 20-600 — RBDHA:2021:12781

Samenvatting

zaaknummer / rolnummer: C/09/594910 / HA ZA 20-600 (ECLI:NL:RBDHA:2021:12781) en zaaknummer / rolnummer: C/09/585234 / HA ZA 19-1286 (ECLI:NL:RBDHA:2021:12780 en ECLI:NL:RBDHA:2021:5308) Uitspraken in zaken interlandelijke adoptie Vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan in twee zaken die gaan over interlandelijke adoptie. De ene zaak gaat over de adoptie van een vrouw vanuit Bangladesh. De vorderingen van deze vrouw worden afgewezen. De andere zaak gaat over de illegale adoptie van een man vanuit Brazilië. De rechtbank wijst in die zaak de vorderingen gedeeltelijk toe. Adoptie vanuit Bangladesh De vrouw is in 1976 vanuit Bangladesh in Nederland geadopteerd. Zij verwijt Wereldkinderen, Terre des Hommes Nederland en de Staat dat zij eraan hebben meegewerkt dat haar biologische moeder onder valse voorwendselen afstand van haar heeft gedaan. Ook hebben zij volgens haar onvoldoende gedaan om de misstanden bij interlandelijke adopties vanuit Bangladesh, waaronder die van haar, goed te onderzoeken en haar hierover te informeren. Wereldkinderen en Terre des Hommes Nederland hebben een beroep gedaan op verjaring. Omdat het meer dan twintig jaar geleden is dat de vrouw is geadopteerd, zijn de vorderingen van de vrouw verjaard. Daarop wordt in de zaak van deze vrouw geen uitzondering gemaakt, omdat op basis van de beschikbare informatie niet kan worden aangenomen dat de vrouw tegen de wil van haar biologische moeder ter adoptie is afgestaan en dat zij niet volgens de geldende regels naar Nederland is overgebracht. Ook heeft de vrouw te lang gewacht met de aansprakelijkstelling van Wereldkinderen en Terre des Hommes. De Staat heeft aanvankelijk ook een beroep gedaan op verjaring. Nadat een onafhankelijke commissie onderzoek interlandelijke adoptie (COIA) in februari 2021 rapport had uitgebracht van een onderzoek naar mogelijke misstanden bij interlandelijke adopties en de rol van de Nederlandse overheid daarbij, heeft de Staat het beroep op verjaring laten vallen. De rechtbank heeft de vorderingen van de vrouw tegen de Staat daarom wel inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de Staat niet aansprakelijk is tegenover de vrouw. Er kan niet worden vastgesteld dat de Staat een fout heeft gemaakt toen de vrouw naar Nederland kwam om geadopteerd te worden of heeft gefaald in het houden van toezicht op adoptie vanuit Bangladesh. Omdat er niet genoeg aanknopingspunten voor misstanden in verband met adoptie vanuit Bangladesh waren, kan de Staat ook niet worden verweten dat hij geen onderzoek heeft gedaan naar de omstandigheden waaronder de vrouw is geadopteerd. Illegale adoptie vanuit Brazilië De man is kort na zijn geboorte in 1980 illegaal geadopteerd vanuit Brazilië. In 1981 is een landelijk strafrechtelijk onderzoek gestart naar illegale adopties vanuit Zuid-Amerika, het Brazil Baby Affair-onderzoek (BBA-onderzoek). Uit dit onderzoek bleek dat de man en nog 41 kinderen uit Brazilië illegaal waren geadopteerd. De man raakte hiervan op de hoogte in de loop van zoektocht naar zijn biologische ouders en de omstandigheden rondom zijn adoptie. De man heeft alleen de Staat gedagvaard. Hij verwijt de Staat onder meer dat de Staat heeft nagelaten om ervoor te zorgen dat de man zijn afkomst kon kennen. De Staat heeft na het COIA-rapport ook in deze zaak zijn beroep op verjaring laten vallen. De rechtbank oordeelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de man. Volgens de rechtbank is de Staat het door artikel 8 EVRM beschermde recht van de man om zijn afkomst te kunnen kennen uit het oog verloren. Toen de Staat er in het kader van het BBA-onderzoek achter kwam dat de juridische ouders van de man hem illegaal hadden geadopteerd, heeft de Staat niets gedaan om ervoor te zorgen dat de man zijn afkomst zou kunnen kennen, terwijl de Staat dat wel had kunnen en moeten doen. In een afzonderlijke procedure moet worden beslist welke schade de man heeft geleden en wat de hoogte van die schade is. Verschillen in zaken over interlandelijke adoptie Vorig jaar deed de rechtbank uitspraak in een zaak van een vrouw die in 1992 is geadopteerd vanuit Sri Lanka. De rechtbank heeft de vorderingen van die vrouw afgewezen omdat haar vordering was verjaard. Hoewel al deze zaken onder de noemer ‘interlandelijke adoptie’ vallen, beoordeelt de rechtbank iedere zaak op basis van de feiten en geschilpunten die tussen de partijen in die zaak spelen en die per zaak verschillen. Het meest belangrijke verschil tussen de zaken die gaan over de interlandelijke adopties uit Sri Lanka en Bangladesh en de zaak van de man uit Brazilië, is dat in die laatste zaak vast staat dat de man het slachtoffer is geworden van een illegale adoptie en dat de Staat daarvan op de hoogte was. In de andere twee zaken heeft de rechtbank op basis van de beschikbare informatie in die procedures niet kunnen aannemen dat de betrokken eiseressen illegaal zijn geadopteerd. ECLI:NL:RBDHA:2020:8735.

Betrokken advocaten

mr. R. van Domselaar

eiser

Van Domselaar Advocatuur, UTRECHT

mr. M.H. van Olden

eiser

Ten Holter Noordam advocaten, ROTTERDAM

mr. M.M. van Asperen

eiser

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, 'S-GRAVENHAGE

mr. S. Colsen te Amsterdam

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

24 november 2021

Rechtsgebied

Civiel Recht

Zaaknummer

C-09-594910-HA ZA 20-600

Procedure

Bodemzaak

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2021:12781

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Wrakingsverzoek vrouw tegen kantonrechter afgewezen
Rechtbank Den Haag·30 maart 2026
Civiel Recht
Rechter gewraakt na bevooroordeelde brief in huurgeschil
Rechtbank Den Haag·30 maart 2026
Civiel Recht
Rechter verrekent €64.000 met legaat partner overleden man
Rechtbank Den Haag·25 maart 2026
Civiel Recht
RBDHA:2026:6492
Rechtbank Den Haag·25 maart 2026
Civiel Recht
RBDHA:2026:6640
Rechtbank Den Haag·25 maart 2026
Civiel Recht