ECLI:NL:RBDHA:2021:8917, Rechtbank Den Haag, 05-08-2021, SGR 20/2499 — RBDHA:2021:8917
Samenvatting
Verweerder heeft eiseres verplicht de ZW-uitkering van ex-werknemer door te betalen, omdat eiseres niet voldoende gedaan heeft om ex-werknemer te re-integreren. De beroepsgrond dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid is in strijd is met verweerders eigen beleid treft geen doel. De rechtbank deelt het oordeel van verweerder dat er in dit geval geen aanleiding was om een verzekeringsarts in te schakelen. In dit geval was namelijk geen sprake van medische vragen of onduidelijkheden en de in de Werkwijzer Poortwachter genoemde situaties doen zich niet voor. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de gedingstukken voldoende steun voor het standpunt van verweerder dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat in de FML van de bedrijfsarts van 16 januari 2019 wordt vastgesteld dat ex-werknemer benutbare mogelijkheden heeft en dat het mogelijk zou moeten zijn om acht uur per dag en veertig uur per week arbeid te verrichten. Dit komt geheel overeen met hetgeen de verzekeringsarts in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling en in zijn FML van 7 december 2018 heeft vastgesteld. Uit de rapportage van 24 juni 2019 en het actueel oordeel van 21 oktober 2019 blijkt dat de bedrijfsarts de FML nog steeds actueel acht. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat ook als de arbeidsmogelijkheden beperkt worden ingeschat, maar er strikt genomen geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, van een werkgever gevergd kan worden dat hij in enige mate re integratie inspanningen verricht. Uitgangspunt is dat als er arbeidsmogelijkheden zijn, de werkgever zich moet inspannen voor re-integratie. Een complexe en onzekere medische toestand levert voor de werkgever geen deugdelijke grond op om re-integratieactiviteiten achterwege te laten. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres te lang heeft gewacht met het laten uitvoeren van een arbeidskundig onderzoek. Daarnaast heeft eiseres ten onrechte nagelaten de mogelijkheden in het eerste spoor te onderzoeken. Ten slotte is het tweede spoor ook te laat, niet binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie, opgestart. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft geconcludeerd dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Daaruit volgt dat verweerder terecht de periode waarover eiseres de ZW-uitkering van ex-werknemer moest doorbetalen, heeft verlengd tot 11 januari 2021. Het beroep is daarom ongegrond.
Betrokken advocaten
mr. A. Arabkhani
eiser
mr. R.W. Verheul
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2025:4135, Rechtbank Noord-Holland, 17-04-2025, AWB - 23 _7517
Rechtbank Noord-Holland · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2024:2279, Centrale Raad van Beroep, 27-11-2024, 23/1530 ZW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2022:2818, Centrale Raad van Beroep, 22-12-2022, 20/1206 WIA
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2022:8287, Rechtbank Den Haag, 05-08-2022, SGR 21/4479
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
5 augustus 2021
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
SGR 20/2499
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:8917