ECLI:NL:RBDHA:2025:3378, Rechtbank Den Haag, 05-03-2025, NL24.4983 — RBDHA:2025:3378
Samenvatting
[Dublin-onderzoek, afzien leggen claim, beslistermijn, artikel 31 lid 3 Procedurerichtlijn] Deze MK-uitspraak gaat over de uitleg van artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000. Daarin staat dat de beslistermijn aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De rechtbank vraagt zich af of de minister die bepaling ook mag toepassen als hij in de claimfase onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat. Omdat artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 de implementatie is van artikel 31, derde lid, tweede volzin, van de Procedurerichtlijn, legt de rechtbank laatstgenoemde bepaling uit. De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat valt onder de procedure van de Dublinverordening zoals bedoeld in artikel 31, derde lid, tweede volzin, van de Procedurerichtlijn. Dit betekent echter niet dat artikel 31, derde lid, tweede volzin, van de Procedurerichtlijn van toepassing is op elk asielverzoek waarin enig onderzoek is gedaan naar de toepassing van de Dublinverordening. De minister start namelijk in beginsel na indiening van elke (eerste) asielaanvraag in Nederland met het onderzoek welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag, namelijk door onderzoek naar vingerafdrukken in Eurodac. Wanneer de conclusie zou luiden dat ook dan de beslistermijn pas begint te lopen op het moment dat wordt vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is zou dat betekenen dat de hoofdregel dat met de indiening van de asielaanvraag de beslistermijn start, zinledig wordt. In dit geval heeft de minister echter, naast Eurodac-onderzoek, een aanmeldgehoor Dublin met verzoekster gehouden. Het asielverzoek van verzoekster viel daarmee onder de procedure van de Dublinverordening, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Ook is voldaan aan het criterium van deze bepaling dat ‘de verzoeker zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt en de bevoegde autoriteit de verzoeker heeft overgenomen’. Hoewel in artikel 31, derde lid, tweede volzin van de Procedurerichtlijn de woorden ‘heeft overgenomen’ staan vermeld zou het in strijd zijn met de doelstelling van deze bepaling om die te beperken tot zogeheten claim in-situaties. Voor de vraag wanneer in het geval van verzoekster de beslistermijn is gaan lopen is tot slot van belang op welk moment overeenkomstig de Dublinverordening is vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is. De verantwoordelijkheid van Nederland stond in ieder geval vast na het verstrijken van twee maanden na de Eurodac-treffer. De verantwoordelijkheid is niet op een eerder moment vastgesteld. Voor zover zou worden betoogd dat het onderzoek sneller afgerond kon worden, is van belang dat de doelstelling in de Dublinverordening om voortvarend te handelen tot uitdrukking is gebracht in korte claimtermijnen. De Dublinverordening kent geen ander systeem voor de beperking van de duur van het onderzoek. Verzoekster heeft vanwege het latere aanvangsmoment van de beslistermijn te vroeg een ingebrekestelling opgestuurd. Daarom is het beroep niet tijdig ten onrechte ingediend en is er, na intrekking van het beroep, geen recht op een proceskostenvergoeding.
Betrokken advocaten
mr. R.S. Helmus
verzoeker
mr. S. Kalu-Mollema
verzoeker
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1947, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.50854
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2026:383, Raad van State, 23-01-2026, BRS.25.002037
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:235, Rechtbank Den Haag, 08-01-2026, NL25.56732
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:22976, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, NL25.23257
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
5 maart 2025
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL24.4983
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:3378