ECLI:NL:RBDHA:2025:8553, Rechtbank Den Haag, 15-05-2025, NL25.13064 — RBDHA:2025:8553
Samenvatting
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gedurende de bezwaarprocedure gaat over de afwijzing van de visumaanvraag van verzoeker. Verzoeker heeft de Surinaamse nationaliteit en is twaalf jaar oud. Sinds het vertrek van zijn Surinaamse moeder woont hij bij zijn oma (de moeder van zijn moeder). Zijn moeder en zijn vijfjarige Nederlandse broertje verblijven sinds juni 2024 in Nederland vanwege medisch noodzakelijke behandelingen van zijn broertje. Sinds 2018 is de moeder de enige verzorgende ouder van verzoeker. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn visumaanvraag. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen vanwege spoedeisend belang, omdat hij niet langer gescheiden wil leven van zijn moeder en broertje. Daarom heeft hij gevraagd om te beslissen hem te behandelen alsof hij in het bezit is van het gevraagde faciliterend visum. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gevraagde voorlopige voorziening verstrekkend is in die zin, dat toewijzing van dat verzoek feitelijk neerkomt op een beslissing op de aanvraag waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. Toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening betekent daarom dat verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Volgens vaste rechtspraak is voor een dergelijke vergaande beslissing, die het bestek van de voorlopige voorzieningenprocedure in principe te buiten gaat, slechts plaats indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noopt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval aan deze twee voorwaarden is voldaan en wijst daarom het verzoek toe. Dit betekent dat verzoeker moet worden behandeld als ware hij in het bezit van het gevraagde faciliterend visum. De voorzieningenrechter heeft het onder andere van belang geacht dat verzoeker slechts twaalf jaar oud is en inmiddels bijna een jaar gescheiden leeft van zijn moeder en broertje. Dat is een inbreuk op het gezinsleven terwijl verzoeker, zijn moeder en broertje belang hebben bij voortzetting daarvan. Het broertje moet gebruiken kunnen maken van zijn recht om vrij op het grondgebied van de Europese Unie te verblijven, omdat anders aan zijn Unieburgerschap de nuttige werking wordt ontnomen. Hij heeft voor zijn verblijf in Nederland zijn moeder nodig, zoals verweerder ook erkent gezien de inwilliging van haar visumaanvraag. In het verlengde daarvan heeft ook verzoeker als minderjarig gezinslid recht op het gevraagde visum. De voorzieningenrechter vindt steun voor deze conclusie in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 september 2021.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CRVB:2025:1664, Centrale Raad van Beroep, 28-10-2025, 25/463 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2025:1444, Centrale Raad van Beroep, 01-10-2025, 24/2794 ZW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:3302, Rechtbank Midden-Nederland, 10-07-2025, UTR 25/38
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:2875, Raad van State, 26-06-2025, 202503278/1/V2 en 202503278/2/V2
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
15 mei 2025
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.13064
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:8553