Rechter geeft minister 16 weken voor beslissing over asielaanvraag — RBDHA:2026:6612
Niet tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Eiseres (asielzoekster, anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor rechtsgeldige grondslag; de wettelijke termijn van zes maanden geldt.
- Aan alle formele vereisten voor beroep wegens niet tijdig beslissen is voldaan: correcte ingebrekestelling en beroep meer dan twee weken daarna.
- De rechtbank stelt vanwege bijzondere omstandigheden (achterstanden IND) een nadere beslistermijn van zestien weken in plaats van de standaard twee weken.
- Er wordt een rechterlijke dwangsom opgelegd van €100 per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van €15.000.
- De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €467.
Samenvatting
Een vrouw die een asielaanvraag heeft ingediend, wachtte te lang op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Zij stapte naar de rechter omdat de overheid de wettelijke beslistermijn overschreed zonder tijdig te handelen.
Volgens de wet moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beslissing nemen. De minister had de beslistermijn eerder verlengd met negen maanden via een beleidswijziging (WBV 2023/3), maar de rechtbank in Middelburg oordeelt dat deze verlenging onvoldoende gemotiveerd is. Daardoor ontbreekt de juridische grondslag voor die verlenging en geldt gewoon de standaardtermijn van zes maanden. De vrouw had bovendien een correcte ingebrekestelling ingediend — een formele brief waarmee ze de minister aanmaande alsnog te beslissen — en wachtte daarna de vereiste twee weken af voordat ze beroep instelde. Aan alle formele vereisten was dus voldaan.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het uitblijven van een besluit, dat juridisch gelijkgesteld wordt aan een afwijzend besluit. Vervolgens stelt de rechter een nieuwe termijn: de minister moet binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een beslissing bekendmaken. De rechtbank erkent dat er sprake is van achterstanden bij de behandeling van asielaanvragen en vindt de standaardtermijn van twee weken daarom niet realistisch. Toch moet ook het belang van de asielzoekster meegewogen worden: zij heeft recht op duidelijkheid over haar verblijfsstatus.
Om te voorkomen dat de minister de nieuwe termijn ook negeert, legt de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister na het verstrijken van de zestien weken nog geen besluit heeft genomen, verbeurt hij honderd euro, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van de vrouw: 467 euro voor de juridische bijstand die zij heeft gekregen van haar gemachtigde.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:620, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL24.26812
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:789, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.54171 en NL25.54172
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2026:34, Raad van State, 07-01-2026, BRS.25.001791
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:487, Rechtbank Den Haag, 05-01-2026, NL25.29234
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.42120
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6612