Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:6638Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechtbank handhaaft terugkeerbesluit Indiase man die Oekraïne ontvluchtte — RBDHA:2026:6638

vreemdelingenrecht / terugkeerbesluit / tijdelijke bescherming Oekraïne

Eiser / verzoeker

Indiase man (V-nummer geanonimiseerd)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 is ongegrond verklaard; de man moet terugkeren naar India, maar de minister moet wel €934 aan proceskosten vergoeden.

  • Tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigde van rechtswege per 4 maart 2024, waarna het terugkeerbesluit rechtmatig was.
  • Een toegewezen voorlopige voorziening levert geen geldige verblijfstitel op en maakt een terugkeerbesluit niet prematuur.
  • De minister heeft een geactualiseerde non-refoulementsbeoordeling gemaakt conform het arrest Ararat; nu de man geen concrete gevaren bij terugkeer naar India aanvoerde, is voldaan aan deze verplichting.
  • Aan een individuele evenredigheidstoets wordt niet toegekomen nu de tijdelijke bescherming van rechtswege is geëindigd.
  • Minister veroordeeld tot €934 proceskosten omdat het oorspronkelijke besluit van augustus 2023 onrechtmatig was opgelegd en later werd vervangen.

Samenvatting

Een Indiase man die vanwege de Russische invasie van Oekraïne naar Nederland was gevlucht, moet toch terugkeren naar India. Dat heeft de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht) bepaald. De man had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning, maar die geldt niet als grondslag voor permanente bescherming in Nederland.

De man was in 2022 naar Nederland gekomen nadat Rusland op 24 februari van dat jaar begon met de grootschalige invasie van Oekraïne. Hij kreeg tijdelijk verblijf op grond van de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming, maar dit verblijfsrecht eindigde per 4 maart 2024. De minister van Asiel en Migratie legde hem in 2023 een eerste terugkeerbesluit op, dat later werd vervangen door een nieuw besluit van 21 juli 2025.

De man verzette zich via zijn advocaat tegen het terugkeerbesluit met meerdere argumenten. Ten eerste stelde hij dat het besluit prematuur was, omdat hij door een eerder toegewezen voorlopige voorziening nog rechtmatig in Nederland verbleef. De rechtbank verwierp dit argument. Uit het dossier bleek niet welke voorlopige voorziening de man bedoelde, en bovendien geeft zo'n voorziening geen geldig verblijfstitel. Nu zijn tijdelijke bescherming van rechtswege was geëindigd, was hij 'illegaal' aanwezig in de zin van de Europese Terugkeerrichtlijn en kon hem een terugkeerbesluit worden opgelegd.

Vervolgens beriep de man zich op het non-refoulementbeginsel: hij mocht niet worden teruggestuurd naar een land waar hij gevaar loopt. De rechtbank erkende dat de minister verplicht is een actuele beoordeling te maken of iemand bij terugkeer risico loopt op foltering of onmenselijke behandeling, conform een recent arrest van het Europese Hof van Justitie. De minister had dit ook gedaan. Omdat de man zelf geen concrete omstandigheden had aangevoerd waaruit een reëel gevaar bij terugkeer naar India bleek, oordeelde de rechtbank dat de minister zijn werk goed had gedaan. Het verzoek van de man om persoonlijk gehoord te worden wees de rechtbank af: door het indienen van een zienswijze was hij al in de gelegenheid gesteld zijn standpunt toe te lichten.

Tot slot betoogde de man dat het terugkeerbesluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. Ook dat argument sloeg niet aan. De rechtbank oordeelde dat aan een individuele evenredigheidstoets niet wordt toegekomen, nu de tijdelijke bescherming simpelweg van rechtswege is afgelopen. De enige relevante vraag was of zijn tijdelijke bescherming terecht was gebaseerd op zijn Oekraïense verblijfsvergunning en of hij geen andere beschermingsgrond had — dat was niet het geval.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit uit 2023 niet-ontvankelijk, omdat dat besluit inmiddels was vervangen. Het beroep tegen het nieuwe terugkeerbesluit van 2025 werd ongegrond verklaard. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van €934 aan proceskosten aan de man, omdat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was opgelegd en hij daartegen terecht beroep had ingesteld.

Betrokken advocaten

mr. A.J.M. Mohrmann

eiser

VSVW ADVOCATEN, BUSSUM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

25 maart 2026

Zaaknummer

NL23.27898

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:6638

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBDHA:2026:8227
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst schadevergoeding af voor Ghanese man in vreemdelingenbewaring
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Ghanees krijgt geen verblijfsdocument EU/EER: relatie onvoldoende bewezen
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8251
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8226
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht