Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:6662
niet-tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard: de minister krijgt zestien weken om alsnog te beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Minister heeft de wettelijke beslistermijn op de asielaanvraag overschreden en ook na ingebrekestelling niet beslist
- Beroep wegens niet-tijdig beslissen is ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard
- Rechtbank legt nieuwe beslistermijn op van zestien weken op basis van het '8+8 wekenmodel' van de Raad van State
- Dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000
- Minister veroordeeld tot betaling van €467 proceskosten
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag omdat de minister van Asiel en Migratie te lang heeft gewacht met een beslissing op zijn asielaanvraag van 9 juni 2025. De minister liet de wettelijke beslistermijn verstrijken en reageerde ook niet toen de asielzoeker hem formeel sommeerde om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen.
De rechtbank stelde vast dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is: de minister heeft zijn wettelijke plicht om tijdig te beslissen geschonden. In zulke gevallen kan de bestuursrechter ingrijpen en een nieuwe termijn opleggen, met een dwangsom als stok achter de deur.
Bij het vaststellen van de nieuwe termijn volgde de rechtbank het zogenoemde '8+8 wekenmodel', een richtlijn van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit model houdt in dat de minister in totaal zestien weken krijgt om alsnog een inhoudelijk besluit te nemen op de asielaanvraag. Die termijn gaat lopen op de dag na bekendmaking van de uitspraak.
Om te zorgen dat de minister zich ook daadwerkelijk aan deze nieuwe deadline houdt, legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden. De rechtbank stelde deze kosten vast op €467, berekend op basis van één punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor van 0,5.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1552, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.42100
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1551, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.42099
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2026:139, Raad van State, 14-01-2026, 202107338/1/V1
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:451, Rechtbank Den Haag, 13-01-2026, NL25.39620 en NL25.39624
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.6684
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6662