Rechter fluit minister terug over terugkeer Iraakse jezidi's naar tentenkamp — RBDHA:2026:6740
asielrecht / vluchtelingenstatus jezidi's Irak
Eiser / verzoeker
Twee Iraakse jezidi-asielzoekers
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
De beroepen zijn gegrond verklaard, de afwijzingsbesluiten zijn vernietigd en de minister moet binnen zes weken opnieuw beslissen op de asielaanvragen; proceskosten van €1.868 zijn toegewezen.
- Minister erkende geloofwaardigheid van jezidi-identiteit en discriminatiemotief, maar achtte dit onvoldoende voor bescherming.
- Rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een ontheemdenkamp in de KAR als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi's uit Sinjar geldt.
- Actuele landeninformatie (EUAA 2025, UK Home Office 2025) wijst op onmenselijke leefomstandigheden in de tentenkampen, hetgeen de minister onvoldoende had betrokken.
- Beroepsgrond over persoonlijke bedreigingen en cumulatieve factoren faalt, omdat eisers geen persoonlijk geweld of aantoonbaar trauma hadden verklaard.
- Terugkeerbesluit ten aanzien van eiser 2 was onrechtmatig nu de afwijzing van de asielaanvraag geen stand houdt.
Samenvatting
Twee Iraakse jezidi's die in 2023 asiel aanvroegen in Nederland, krijgen gelijk van de rechtbank Den Haag. De minister van Asiel en Migratie had hun aanvragen afgewezen, maar de rechter oordeelt dat die beslissing onvoldoende onderbouwd was.
De twee mannen zijn afkomstig uit de Sinjar regio in Irak en behoren tot de jezidi-minderheid. Ze verklaarden gediscrimineerd te worden in Irak: de een kon nauwelijks werk vinden, de ander werd dagelijks vernederd en uitgebuit als hij wel werk had. Beiden gaven aan dat in Irak het doden van jezidi's door radicale moslims als toegestaan wordt gepredikt. Na lang sparen vluchtten ze via Turkije en Griekenland naar Nederland.
De minister erkende dat hun identiteit en het asielmotief van discriminatie als jezidi geloofwaardig zijn, maar vond dit onvoldoende voor een gegronde vrees op vervolging. Daarnaast speelde mee dat de mannen in Griekenland al een vluchtelingenstatus hadden gekregen. De minister stelde dat ze konden terugkeren naar het ontheemdenkamp in de Koerdische Autonome Regio (KAR) waar ze eerder verbleven, omdat daar volgens landeninformatie uit 2022 tot eind 2024 basisvoorzieningen en hulporganisaties aanwezig zouden zijn.
De eisers betwistten dit en wezen op actuele rapporten die een somberder beeld schetsen van de leefomstandigheden in de tentenkampen. Ze voerden ook aan dat de Sinjar regio onveilig is en dat de minister de verschillende elementen van hun relaas — discriminatie, dreiging van geweld en de erbarmelijke leefomstandigheden — ten onrechte niet in samenhang had beoordeeld.
De rechtbank volgt de eisers niet op het punt dat de minister hun vrees voor persoonlijk geweld of bedreigingen onvoldoende heeft meegewogen: de mannen hadden immers niet verklaard dat hen persoonlijk iets was aangedaan. Ook ontbrak onderbouwing van gesteld trauma.
Wél slaagt het argument over het tentenkamp. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een ontheemdenkamp in de KAR als 'normale woon- en verblijfplaats' voor jezidi's uit de Sinjar regio kan worden aangemerkt. De rechtbank sluit aan bij eerdere uitspraken van dezelfde rechtbank uit februari, juli, augustus en november 2025, waarin hetzelfde standpunt al was ingenomen op basis van actuele landeninformatie. Die informatie — onder meer van het EUAA en het Britse Home Office uit 2025 — wijst op onmenselijke leefomstandigheden in de kampen.
Omdat de afwijzing van de asielaanvragen sneuvelt, was ook het aan een van de eisers opgelegde terugkeerbesluit onrechtmatig. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de minister op binnen zes weken opnieuw te beslissen op de asielaanvragen, met inachtneming van deze uitspraak. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.868.
Betrokken advocaten
mr. A.E. Geçer
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1950, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.40149
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1948, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.40146
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1772, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.226
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1765, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.225
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.44138 en NL25.44139
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6740