Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:6840
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoekster (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard: de minister moet binnen vier weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- Beslistermijn voor asielaanvraag van december 2023 is overschreden; beroep wegens niet tijdig beslissen is gegrond
- Bij overschrijding van de 21-maandsgrens geldt als uitgangspunt een nieuwe termijn van acht weken
- Omdat het nader gehoor al heeft plaatsgevonden, wordt de termijn gehalveerd naar vier weken
- Dwangsom van €100 per dag opgelegd bij niet-nakoming, met een maximum van €15.000
Samenvatting
Een asielzoekster die al meer dan twee jaar wacht op een beslissing over haar aanvraag heeft gelijk gekregen van de rechtbank Den Haag. De vrouw diende haar asielaanvraag in op 9 december 2023, maar de minister van Asiel en Migratie liet de wettelijke beslistermijn verstrijken zonder een besluit te nemen.
Nadat de minister ook na een aanmaning niet binnen twee weken besliste, stapte de vrouw naar de rechter. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is: de minister heeft simpelweg te lang gewacht.
Bij het bepalen van een nieuwe, redelijke termijn hield de rechtbank rekening met de zogenoemde 8+8-wekenmethodiek die de hoogste bestuursrechter eerder heeft vastgesteld. Normaal gesproken krijgt de minister bij overschrijding van de maximale termijn van 21 maanden acht weken om alsnog te beslissen. In dit geval had echter al op 26 en 27 september 2024 een nader gehoor plaatsgevonden — een belangrijk onderdeel van de asielprocedure. Omdat dat gehoor al is afgerond, is er minder voorbereiding nodig en werd de termijn gehalveerd.
De minister moet nu binnen vier weken na bekendmaking van de uitspraak een besluit nemen op de asielaanvraag. Haalt hij die termijn niet, dan loopt hij een dwangsom op van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet hij de proceskosten van de vrouw vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1653, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.61350
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1497, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.27382
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1367, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.48993
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1106, Rechtbank Den Haag, 26-01-2026, NL25.57459
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.8919
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6840