Rechter dwingt minister tot besluit op asielaanvraag binnen acht weken — RBDHA:2026:6869
niet tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Eiseres (asielzoekster, naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken een besluit nemen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- Minister overschreed de wettelijke beslistermijn op de asielaanvraag van 23 september 2024, waardoor het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond is.
- Rechtbank past het '8+8 wekenmodel' toe: omdat het nader gehoor al heeft plaatsgevonden, krijgt de minister acht (in plaats van zestien) weken om alsnog te beslissen.
- Rechterlijke dwangsom opgelegd van €100 per dag bij overschrijding van de nieuwe beslistermijn, met een maximum van €15.000.
- Minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad €467.
Samenvatting
Een vrouw die op 23 september 2024 een asielaanvraag indiende, wachtte ruim een jaar op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Toen de wettelijke beslistermijn verstreek zonder dat er een besluit kwam, sommeerde zij de minister om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat gebeurde niet, waarop zij beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank stelde vast dat de minister inderdaad te laat was met beslissen. Het beroep wegens niet tijdig beslissen werd ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard. Daarmee kreeg de vrouw formeel gelijk: de minister had in strijd gehandeld met de wettelijke beslistermijnen.
Bij het bepalen van een nieuwe termijn hield de rechtbank rekening met het zogenoemde '8+8 wekenmodel', een door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ontwikkeld kader. Normaal gesproken zou de minister zestien weken de tijd krijgen om alsnog te beslissen. Maar omdat er al op 4 december 2025 een nader gehoor had plaatsgevonden — een belangrijk onderdeel van de asielprocedure — resteerde nog slechts de tweede helft van die termijn. De minister kreeg daarom acht weken om een besluit te nemen.
Om te zorgen dat de minister zich aan die termijn houdt, legde de rechtbank een dwangsom op van honderd euro per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de vrouw vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1887, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.61242
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1877, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.63656
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1878, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.63670
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1243, Rechtbank Den Haag, 27-01-2026, NL25.54822
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.9486
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6869