Somalische asielzoeker krijgt proceskosten vergoed na ingetrokken voorziening — RBDHA:2026:6876
asielrecht / voorlopige voorziening / terugkeerbesluit
Eiser / verzoeker
Somalische asielzoeker (verzoeker)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen omdat de beroepszaak al was beslecht; de minister wordt veroordeeld tot betaling van €1.868,- aan proceskosten.
- Voorlopige voorziening afgewezen omdat de bodemzaak (beroep) al gelijktijdig is beslist
- Vraag opgeworpen hoe terugkeerbesluit met 0-dagentermijn zich verhoudt tot eerder verkregen vluchtelingenstatus in Griekenland
- Nieuw Algemeen Ambtsbericht Somalië 2025 betrokken bij beoordeling van overgelegde documenten en veiligheidssituatie
- Minister veroordeeld tot betaling van €1.868,- aan proceskosten op grond van Besluit proceskosten bestuursrecht
Samenvatting
Een Somalische asielzoeker diende in Nederland een asielaanvraag in, maar de minister van Asiel en Migratie wees die op 5 juni 2025 af als kennelijk ongegrond. Tegelijk kreeg de man een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. De man tekende beroep aan en vroeg de rechter om een voorlopige voorziening, waarmee hij wilde voorkomen dat hij het land uitgezet zou worden voordat zijn zaak inhoudelijk beoordeeld was.
Tijdens de eerste zitting op 1 september 2025 werden twee belangrijke vragen opgeworpen. Ten eerste de vraag hoe het uitvaardigen van een terugkeerbesluit met een zogeheten 0-dagentermijn — waarbij iemand direct moet vertrekken, zonder enige bedenktijd — zich verhoudt tot het feit dat de man in Griekenland al een vluchtelingenstatus had gekregen. Ten tweede speelde de vraag welke rol nieuw landeninformatie over Somalië zou spelen bij de beoordeling van de documenten die de man had overlegd en bij de algehele veiligheidssituatie in dat land.
Na de schorsing van het onderzoek kreeg de minister de kans om op beide punten een standpunt in te nemen. De minister deed dat bij brief van 10 september 2025, waarna de asielzoeker op 24 september 2025 reageerde. Uiteindelijk werd de zaak op 5 februari 2026 op een tweede zitting voortgezet.
Voordat de voorzieningenrechter een beslissing nam over de voorlopige voorziening, deed de rechtbank echter al uitspraak in het bijbehorende beroep. Daarmee verviel de noodzaak voor de voorlopige voorziening: die dient er immers voor om een situatie te bevriezen totdat er een inhoudelijk oordeel is, maar dat oordeel lag er al. De voorzieningenrechter wees het verzoek dan ook af — niet omdat het kansloos was, maar simpelweg omdat het zijn doel had verloren.
Wel zag de rechter in de uitkomst van de beroepszaak aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van de asielzoeker. De minister moet een bedrag van €1.868,- vergoeden aan de man, berekend op basis van de verleende rechtsbijstand: één punt voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting.
Betrokken advocaten
mr. R.M. Koning
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1896, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.54497
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1772, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.226
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1765, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.225
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1552, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.42100
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.25270
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6876