Gambiaanse asielzoeker mag worden overgedragen aan Frankrijk — RBDHA:2026:7131
Dublin-overdracht / voorlopige voorziening asielrecht
Eiser / verzoeker
Gambiaanse asielzoeker
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, zodat de overdracht van de Gambiaanse man aan Frankrijk op 31 maart 2026 doorgang kan vinden.
- De overdracht aan Frankrijk is in eerdere procedures al in rechte vastgesteld; de voorzieningenrechter toetst alleen of de situatie wezenlijk is gewijzigd.
- Geen objectieve gegevens tonen aan dat overdracht onomkeerbare gevolgen heeft voor de gezondheid van verzoeker; hij kwalificeert niet als bijzonder kwetsbare vreemdeling in de zin van het Tarakhel-arrest.
- Het meesturen van een medische escort bij de overdracht volstaat als blijk van de vereiste zorgvuldigheid van verweerder.
- Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen, zodat de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Samenvatting
Een Gambiaanse man die in januari 2025 asiel aanvroeg in Nederland, probeerde kort voor zijn uitzetting via de rechter te voorkomen dat hij naar Frankrijk zou worden overgebracht. Zijn overdracht was gepland op 31 maart 2026, maar op 27 maart diende hij een verzoek in om die overdracht te blokkeren.
De man had eerder al in Frankrijk asiel aangevraagd. Op grond van de Dublinverordening — de Europese regels die bepalen welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek — is Frankrijk daarvoor aangewezen. De Nederlandse autoriteiten vroegen de Franse overheid dan ook om hem terug te nemen, wat Frankrijk in september 2025 bevestigde. Zowel de rechtbank als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hadden eerder al geoordeeld dat de overdracht rechtmatig was.
De man voerde nu aan dat hij suïcidaal is en psychische klachten heeft, en dat Nederland daarom vooraf individuele garanties van Frankrijk had moeten vragen over zijn medische behandeling. Hij beriep zich daarbij op een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat bescherming biedt aan bijzonder kwetsbare vreemdelingen die door hun gezondheidsconditie niet kunnen worden overgedragen zonder extra waarborgen.
De minister van Asiel en Migratie vond die redenering niet overtuigend. Zijn medische situatie was al meegenomen in de eerdere procedures, en er waren geen concrete gegevens die aantoonden dat overdracht aan Frankrijk onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheid zou hebben. Dat in de overdrachtsaankondiging melding was gemaakt van zijn psychische klachten, was slechts een kwestie van zorgvuldigheid. De man kon zelf zijn medische informatie met de Franse autoriteiten delen. Bovendien zou er bij de overdracht een medische begeleider meereizen.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag volgde die redenering. Uit de eerdere uitspraken bleek al dat er geen objectieve gegevens waren waaruit een risico op aanzienlijke en onomkeerbare gezondheidsschade kon worden afgeleid. De nieuwe argumenten veranderden daar niets aan. Er was dan ook geen reden om hem als bijzonder kwetsbaar aan te merken of om vooraf garanties van Frankrijk te verlangen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, waarmee de geplande overdracht doorgang kan vinden.
Betrokken advocaten
mr. K. Diender
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2022, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.36314
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1914, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, AWB 25/20963
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1460, Rechtbank Den Haag, 27-01-2026, AWB 25/20623
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1453, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, AWB 25/22881
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.17202
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7131