Bewaring Algerijnse asielzoeker blijft ondanks slordig proces-verbaal — RBDHA:2026:7157
vreemdelingenbewaring / Dublin-overdracht
Eiser / verzoeker
Algerijnse asielzoeker (V-nummer geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep tegen vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard; schadevergoeding afgewezen, maar verweerder veroordeeld tot proceskosten van €1.868,- vanwege gebrekkig proces-verbaal.
- Staandehouding op grond van artikel 50 lid 1 Vw was rechtmatig, ook bij voorbereide actie op AZC, omdat identiteitsverificatie ter plekke nog nodig was.
- Slordig ingevuld M105-formulier (onduidelijke kruisjes over rechten verdachte) levert een gebrek op, maar maakt bewaring niet onrechtmatig bij gebrek aan aantoonbare benadeling van de vreemdeling.
- Verweerder voldeed aan inspanningsverplichting voor voorkeursadvocaat door naam en nummer door te geven aan Raad voor Rechtsbijstand; verdedigingsbeginsel niet geschonden.
- Onbestreden bewaringsgronden (Dublin-overdrachtsbesluit, geen medewerking, geen vaste verblijfplaats) dragen de maatregel zelfstandig.
- Vanwege het gebrek in het proces-verbaal veroordeeld verweerder in proceskosten van €1.868,-.
Samenvatting
Een Algerijnse man die in een asielzoekerscentrum verbleef, werd in maart 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld. De minister van Asiel en Migratie legde de maatregel op omdat de man een overdrachtsbesluit had ontvangen in het kader van de Dublinverordening — hij dient zijn asielverzoek in een andere EU-lidstaat in te dienen — en omdat er een significant risico was dat hij zich aan toezicht zou onttrekken.
De man tekende beroep aan tegen zijn bewaring en vroeg om schadevergoeding. Hij voerde drie bezwaren aan. Ten eerste zou er geen wettelijke grondslag zijn geweest voor zijn staandehouding, omdat het om een voorbereide actie in zijn kamer op het AZC ging. De rechtbank verwierp dit: uit het proces-verbaal bleek dat agenten van de Dienst Vervoer & Ondersteuning ter plekke nog moesten verifiëren of de man daadwerkelijk de persoon was die in hun informatiedossier stond. Dat rechtvaardigt een staandehouding op grond van de Vreemdelingenwet.
Ten tweede wees de man op slordigheden in het proces-verbaal van staandehouding. De rechtbank gaf hem daarin gelijk: de aangekruiste opties over zijn rechten waren onduidelijk en tegenstrijdig, zodat niet kon worden opgemaakt welke rechten hij wilde uitoefenen. Dit kwalificeert als een gebrek. Maar een gebrek maakt bewaring pas onrechtmatig als de geschonden belangen niet in verhouding staan tot de ernst ervan. De man had niet onderbouwd op welke manier hij concreet was benadeeld, en er bestond een duidelijk risico op onttrekking aan toezicht. De bewaring bleef dan ook in stand.
Ten derde klaagde de man erover dat zijn voorkeursadvocaat niet was gecontacteerd. De rechtbank stelde vast dat de naam en het telefoonnummer van de voorkeursadvocaat wél waren doorgegeven aan de Raad voor Rechtsbijstand, en dat de man uiteindelijk bijstand had gekregen van een piketadvocaat die ook bij het gehoor aanwezig was en een zienswijze kon indienen. Van een schending van het verdedigingsbeginsel was geen sprake.
De bewaringsgronden zelf — waaronder illegale binnenkomst, eerdere onttrekking aan toezicht, het niet meewerken aan overdracht, en het ontbreken van vaste verblijfplaats en middelen van bestaan — werden door de man niet bestreden. De rechtbank oordeelde dan ook dat deze gronden de maatregel voldoende onderbouwen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Vanwege het geconstateerde gebrek in het proces-verbaal werd de minister wel veroordeeld tot betaling van de proceskosten: een bedrag van €1.868,- aan de man.
Betrokken advocaten
mr. M.C. de Jong
eiser
mr. C.J. Ohrtmann
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2024:4665, Rechtbank Den Haag, 27-03-2024, NL23.32667
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:4650, Rechtbank Den Haag, 27-03-2024, NL23.34811
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2023:22234, Rechtbank Den Haag, 22-12-2023, 23-5481
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2023:17740, Rechtbank Den Haag, 10-10-2023, NL23.12250
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.15528
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7157