Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7179Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechter dwingt IND tot beslissen op asielzaak met dwangsom — RBDHA:2026:7179

niet tijdig beslissen op asielaanvraag / rechterlijke dwangsom vreemdelingenrecht

Eiser / verzoeker

Asielzoeker (anoniem)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag op straffe van een dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.

  • De verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor rechtsgrond; de wettelijke beslistermijn blijft zes maanden.
  • De maximale termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is overschreden, wat een bijzondere omstandigheid oplevert die een kortere rechterlijke termijn rechtvaardigt.
  • Omdat de minister een eerder door de rechtbank gestelde termijn niet heeft nageleefd, wordt een hogere dwangsom opgelegd: €200 per dag in plaats van €100.
  • De rechterlijke dwangsom gaat in nadat de eerder opgelegde dwangsom is volgelopen.

Samenvatting

Een asielzoeker heeft voor de tweede keer beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag omdat de minister van Asiel en Migratie maar niet beslist op zijn asielaanvraag. De rechtbank deed uitspraak op 27 maart 2026 en stelde vast dat de beslistermijn ruimschoots is overschreden.

De wet schrijft voor dat de IND binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beslissing neemt. De minister had geprobeerd die termijn met negen maanden te verlengen via een beleidsmaatregel (WBV 2023/3), maar de rechtbank accepteert die verlenging niet. De motivering voor die verlenging schiet tekort, waardoor de rechtsgrond eraan ontbreekt. De geldende beslistermijn blijft daarmee zes maanden.

Bij de beoordeling speelt mee dat de maximale termijn van 21 maanden die de Europese Procedurerichtlijn stelt, inmiddels ook is verstreken. Dat is een bijzondere omstandigheid die de rechtbank ertoe brengt extra druk te zetten op de minister. Omdat de minister eerder al een rechterlijke termijn heeft gekregen en die niet heeft gehaald, legt de rechtbank nu een hogere dwangsom op dan gebruikelijk.

De rechtbank draagt de minister op om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan verbeurt hij een dwangsom van €200 per dag, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden: een bedrag van €467.

Betrokken advocaten

mr. J.J. Bronsveld

eiser

Ravelijn Advocaten, BERGEN OP ZOOM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 maart 2026

Zaaknummer

NL25.61810

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7179

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst schadevergoeding af voor Ghanese man in vreemdelingenbewaring
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Ghanees krijgt geen verblijfsdocument EU/EER: relatie onvoldoende bewezen
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter bevestigt bewaring Marokkaanse asielzoeker in grensprocedure
Rechtbank Den Haag·7 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter: minister moet binnen 8 weken beslissen op Syrische asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·7 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvraag na 21 maanden wachten
Rechtbank Den Haag·7 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht