Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7204Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechter laat afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse vrouw in stand — RBDHA:2026:7204

asiel / vreemdelingenrecht

Eiser / verzoeker

Nigeriaanse vrouw (mede namens haar minderjarige kind)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Beroep ongegrond verklaard; de afwijzing van de asielaanvraag van de Nigeriaanse vrouw en haar kind blijft in stand.

  • Aanvullende beroepsgronden ingediend één werkdag voor zitting zijn in strijd met de goede procesorde en worden grotendeels buiten beschouwing gelaten.
  • Minister hoefde besluitvorming niet aan te houden in afwachting van de definitieve beslissing over medisch uitstel van vertrek; dit is vaste beleidspraktijk binnen de algemene asielprocedure.
  • De stelling dat de genezer eiseres' vriendin heeft gedood is terecht ongeloofwaardig bevonden omdat eiseres slechts verklaarde op basis van vermoedens en geen concrete details kon geven, waarbij PTSS dit niet afdoende verklaart.
  • Bij terugkeer naar Nigeria loopt eiseres geen reëel risico op ernstige schade: zij heeft al jaren geen contact met de genezer en kan de gestelde schuld aan de mensenhandelaar niet concretiseren.

Samenvatting

Een Nigeriaanse vrouw vroeg in Nederland asiel aan na een traumatische jeugd in haar thuisland. Haar ouders brachten haar op vijftienjarige leeftijd naar een traditionele genezer om haar ziekte te behandelen, maar hadden met hem afgesproken dat hij haar als tegenprestatie mocht huwen. Zonder formeel huwelijk ging zij bij hem wonen, waar zij te maken kreeg met ernstig geweld. Na een zware mishandeling belandde zij in het ziekenhuis, waarna zij met hulp van een mensenhandelaar wist te vluchten. Bij terugkeer naar Nigeria vreest zij gedood te worden, zowel door de genezer als door de mensenhandelaar, vanwege openstaande schulden.

De minister van Asiel en Migratie wees de asielaanvraag in november 2025 af als ongegrond. Hoewel de minister bepaalde delen van het relaas geloofwaardig achtte — zoals de gedwongen uithuwelijking, de mishandelingen en de vlucht via een mensenhandelaar — werden andere elementen niet aannemelijk bevonden. Zo geloofde de minister niet dat de genezer haar vriendin had gedood en dat de mensenhandelaar haar actief bedreigt.

De vrouw ging in beroep. Haar gemachtigde diende echter pas op vrijdagmiddag 30 januari 2026, één werkdag voor de zitting, een uitgebreid pakket aanvullende beroepsgronden in van zes pagina's met elf onderdelen. De rechtbank oordeelde dat dit in strijd was met de goede procesorde: de vrouw had al in november 2025 aangekondigd haar gronden te zullen aanvullen, maar wachtte hier ruim twee maanden mee zonder daarvoor een reden te geven. De aanvullende gronden werden daarom grotendeels buiten beschouwing gelaten.

Een van de beroepsgronden betrof de vraag of de minister had moeten wachten met beslissen totdat duidelijk was of de vrouw medisch uitstel van vertrek zou krijgen. De rechtbank oordeelde dat dit niet nodig was. Binnen de algemene asielprocedure geldt een termijn van zes dagen na het nader gehoor voor een beslissing, en het is staand beleid om in afwachting van een medische beoordeling tijdelijk uitstel van vertrek te verlenen. Dat het voornemen aanvankelijk geen uitstel verleende en de minister daar later op terugkwam, maakt het besluit niet onzorgvuldig.

Over de gestelde dood van haar vriendin oordeelde de rechtbank dat de minister deze terecht ongeloofwaardig mocht achten. De vrouw verklaarde slechts op basis van vermoedens dat de genezer haar vriendin had gedood, en kon geen details geven over de begrafenis of een eventueel politieonderzoek — ondanks de hechte band die zij met haar had. Haar PTSS-klachten doen hier niet aan af, aldus de rechtbank: de invloed van PTSS op het geheugen verschilt per persoon en betekent niet automatisch dat iemand niets kan verklaren.

Ten aanzien van het terugkeerrisico oordeelde de rechtbank eveneens dat de minister correct had gehandeld. De vrouw kon niet aangeven hoe hoog haar schuld bij de mensenhandelaar was, wist niet of hij samenwerkt met anderen, had nooit aangifte gedaan en wist niet of familieleden problemen hadden ondervonden. Wat de genezer betreft stelde de minister onweersproken dat zij al jaren geen contact meer met hem heeft en ook niet weet of hij nog actief naar haar zoekt. De omstandigheid dat zij terugkeert met een kind dat niet van hem is, acht de minister onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarmee in stand en de vrouw en haar kind komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op asielgronden.

Betrokken advocaten

mr. V. Senczuk

eiser

Advocatenkantoor Drenth & Senczuk, UTRECHT

mr. D. Post

verweerder

VANEPS, AMSTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 maart 2026

Zaaknummer

NL25.56126

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7204

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst spoedmaatregel asielzoeker af na Dublin-overdracht
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Nigeriaanse man verliest beroep tegen terugkeerbesluit
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst voorlopige voorziening Jordaanse asielzoeker af
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Jordaanse man verliest beroep tegen afwijzing tweede asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter vernietigt afwijzing asielaanvraag Somalische man die nooit in Somalië woonde
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht