Jemenitische asielzoeker moet alsnog naar Duitsland — RBDHA:2026:7223
Dublin-overdracht / asiel
Eiser / verzoeker
Jemenitische asielzoeker
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep is ongegrond verklaard; de asielaanvraag wordt niet in Nederland behandeld en de man wordt overgedragen aan Duitsland.
- Duitsland is op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de asielaanvraag; Nederland hoeft deze niet in behandeling te nemen.
- Het interstatelijk vertrouwensbeginsel staat eraan in de weg dat Nederland toetst of Duitsland het juiste asielbeleid voert voor Jemenitische asielzoekers.
- Het feit dat Duitsland geen artikel 15c Kwalificatierichtlijn-bescherming biedt voor Jemen levert op zichzelf geen 'onevenredige hardheid' op die overdracht verhindert.
- Duitsland is als EU-lidstaat gebonden aan het verbod op uitzetting in strijd met artikel 3 EVRM, ook na eerdere afwijzing van de aanvraag.
Samenvatting
Een Jemenitische man die in oktober 2025 asiel aanvroeg in Nederland, moet zijn asielprocedure voeren in Duitsland. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de Nederlandse minister van Asiel en Migratie de aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is.
Uit het Europese vingerafdrukregistratiesysteem Eurodac bleek dat de man eerder al een asielaanvraag had ingediend in Duitsland. De Nederlandse autoriteiten vroegen Duitsland hem terug te nemen, waarmee de Duitsers in november 2025 akkoord gingen. Op basis van die afspraken stuurde Nederland de man terug naar de Dublin-procedure in Duitsland.
De man verzette zich daartegen en beriep zich op het verschil in asielbeleid tussen beide landen. Duitsland hanteert volgens hem een strenger beleid voor Jemenitische asielzoekers en erkent niet, anders dan Nederland, dat er in Jemen sprake is van een situatie van willekeurig geweld die bescherming rechtvaardigt. Omdat zijn aanvraag in Duitsland al eerder was afgewezen, vreesde hij dat hij uiteindelijk gedwongen zou worden terug te keren naar Jemen, wat in strijd zou zijn met het verbod op onmenselijke behandeling uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De rechtbank volgde dit argument niet. Weliswaar erkende zij dat Duitsland een ander beleid voert, maar dat is op zichzelf onvoldoende reden om de overdracht tegen te houden. Nederland mag er op grond van het zogeheten interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat Duitsland, als andere EU-lidstaat, de asielaanvraag zal behandelen in overeenstemming met het Europese recht. Dat betekent ook dat Duitsland verplicht is de man niet uit te zetten als dat in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM — ook al was zijn eerdere aanvraag daar al afgewezen.
Van een bijzondere situatie die overdracht 'onevenredig hard' zou maken, was naar het oordeel van de rechter geen sprake. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarmee de weg voor overdracht aan Duitsland vrij blijft.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:879, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.36035
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:859, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.33686
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:450, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL25.35097
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:449, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL25.34842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.10222
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7223