Rechtbank houdt bewaring Marokkaanse man in stand — RBDHA:2026:7251
vreemdelingenbewaring / voortduring maatregel / zicht op uitzetting
Eiser / verzoeker
Marokkaanse man (V-nummer geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen; de bewaring blijft voortduren.
- De gronden voor de bewaring zijn in eerdere uitspraken (december 2025 en januari 2026) al rechtmatig bevonden; geen nieuwe feiten rechtvaardigen een ander oordeel.
- De overheid heeft voldoende voortvarend gehandeld: drie rappels bij Marokkaanse autoriteiten, tijdige afgifte van laissez-passer op 17 maart 2026 en vlucht gepland voor 1 april 2026.
- Er was geen moment waarop zicht op uitzetting ontbrak, nu Marokko heeft meegewerkt aan de afgifte van het reisdocument.
- Het argument dat onvoldoende is onderzocht of een lichter middel kon worden toegepast, is al eerder verworpen en er zijn geen nieuwe omstandigheden aangedragen.
- Beroep ongegrond; verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Samenvatting
Een Marokkaanse man zit al sinds november 2025 in vreemdelingenbewaring in afwachting van zijn uitzetting naar Marokko. De bewaring is gebaseerd op artikel 59 van de Vreemdelingenwet, een bepaling die geldt voor vreemdelingen die geen verblijfsrecht hebben en van wie de uitzetting wordt voorbereid. De man heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van zijn bewaring en heeft gevraagd om schadevergoeding.
De man voerde verschillende bezwaren aan. Zo betwistte hij de gronden waarop de bewaring is gebaseerd en stelde hij dat de autoriteiten niet serieus hebben onderzocht of een minder ingrijpende maatregel — zoals meldplicht of borgsom — ook voldoende zou zijn geweest. Verder vond hij dat de overheid te traag heeft gehandeld: hoewel zijn Marokkaanse nationaliteit op 12 maart 2026 officieel werd bevestigd, werd pas op 18 maart een reisdocument aangevraagd bij de Marokkaanse autoriteiten. Ook twijfelde hij eraan of er daadwerkelijk een vlucht voor hem was geboekt en stelde hij dat er gedurende een groot deel van zijn bewaring feitelijk geen zicht was op uitzetting.
De rechtbank gaat niet mee in deze bezwaren. De gronden voor de bewaring zijn al beoordeeld in eerdere uitspraken van december 2025 en januari 2026, en zijn toen rechtmatig bevonden. De rechter ziet in wat de man nu aanvoert geen nieuwe feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden. Ook het argument dat onvoldoende is onderzocht of een lichter middel mogelijk was, is al eerder verworpen.
Over de voortvarendheid oordeelt de rechtbank dat de overheid voldoende actie heeft ondernomen. Zo heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek sinds januari 2026 drie keer schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en zijn er twee vertrekgesprekken gevoerd met de man. Het reisdocument — een zogenoemd laissez-passer — werd op 17 maart 2026 afgegeven, waarna de volgende dag een vluchtaanvraag werd ingediend. Op 20 maart werden de vluchtgegevens ontvangen voor een uitzetting op 1 april 2026. Dat de vluchtaanvraag pas na afgifte van het reisdocument werd gedaan, acht de rechtbank niet onvoortvarend: het reisdocument is immers een vereiste voor boeking.
Evenmin ziet de rechtbank aanwijzingen dat de Marokkaanse autoriteiten op enig moment weigerachtig waren om mee te werken, zodat ook het ontbreken van zicht op uitzetting niet is komen vast te staan.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:829, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL26.1154
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:23423, Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, NL25.57867
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:CRVB:2025:1721, Centrale Raad van Beroep, 20-11-2025, 23/629 WSF
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:4846, Raad van State, 13-10-2025, BRS.25.001325
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.15666
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7251