Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvragen met dwangsom — RBDHA:2026:7272
Asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Twee asielzoekers (namen geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvragen, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Minister heeft de wettelijke beslistermijn op asielaanvragen overschreden, waardoor het beroep wegens niet tijdig beslissen ontvankelijk en kennelijk gegrond is
- Rechtbank legt nieuwe beslistermijn van zestien weken op, gebaseerd op het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak
- Rechterlijke dwangsom van €100 per dag (maximaal €15.000) opgelegd bij overschrijding van de nieuwe termijn
- Proceskosten van €467 worden door de minister vergoed, waarbij vanwege samenhang tussen de twee zaken slechts één punt is gerekend met wegingsfactor 0,5
Samenvatting
Twee asielzoekers hebben met succes beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist op hun asielaanvragen van 10 juni 2025. De rechtbank deed uitspraak zonder zitting.
Nadat de wettelijke beslistermijn was verstreken, sommeerden de asielzoekers de minister via hun gemachtigde om alsnog binnen twee weken een beslissing te nemen. Toen de minister ook die deadline liet passeren, stapten de twee naar de rechter. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is: de minister heeft simpelweg te lang gewacht.
Bij het opleggen van een nieuwe termijn hield de rechtbank rekening met het zogeheten '8+8 wekenmodel', een door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ontwikkelde methode om realistische beslistermijnen in asielprocedures te berekenen. Concreet betekent dit dat de minister zestien weken krijgt — te rekenen vanaf de dag na bekendmaking van de uitspraak — om alsnog een besluit te nemen op de asielaanvragen.
Om de druk op de minister te verhogen, legt de rechtbank ook een dwangsom op. Haalt de minister de nieuwe termijn niet, dan moet hij de asielzoekers honderd euro per dag betalen, met een maximum van vijftienduizend euro.
Omdat het om twee samenhangende zaken gaat waarbij dezelfde gemachtigde nagenoeg identiek werk verrichtte, worden de proceskosten als één geheel vergoed. De minister wordt veroordeeld tot betaling van 467 euro aan proceskosten.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:488, Rechtbank Den Haag, 13-01-2026, NL25.29178
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:491, Rechtbank Den Haag, 13-01-2026, NL24.47985
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:168, Rechtbank Den Haag, 07-01-2026, NL25.29366
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25423, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, NL25.13068
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.6656 en NL26.9023
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7272