Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7279Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechter bevestigt bewaring asielzoeker na Dublin-overdracht — RBDHA:2026:7279

vreemdelingenbewaring / Dublin-overdracht

Eiser / verzoeker

Asielzoeker (anoniem)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

  • Zware gronden 3a (onrechtmatige binnenkomst) en 3b (onttrekking aan toezicht) zijn feitelijk juist en dragen samen de maatregel van bewaring.
  • Een eerdere onrechtmatige grensoverschrijding mag de minister blijven tegenwerpen, ook als die lang geleden plaatsvond of als de betrokkene recent via een Dublinoverdracht is binnengekomen.
  • Het herhaaldelijk vertrekken met onbekende bestemming na asielaanvragen geldt als onttrekking aan toezicht, ook als dit deels in het verleden heeft plaatsgevonden.
  • De overige zware en lichte gronden behoefden geen beoordeling omdat de eerste twee gronden de bewaring al zelfstandig kunnen dragen.
  • Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen omdat het beroep ongegrond is.

Samenvatting

Een asielzoeker die via een zogenoemde Dublinoverdracht vanuit Zwitserland naar Nederland werd gebracht, probeerde zijn vreemdelingenbewaring aan te vechten. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de bewaring rechtmatig is opgelegd en wees zijn beroep af.

De minister van Asiel en Migratie had de man in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet. Als zwaarste gronden voerde de minister aan dat de man Nederland destijds zonder de vereiste documenten was binnengekomen, dat hij zich meerdere keren na een asielaanvraag had onttrokken aan toezicht door met onbekende bestemming te vertrekken, en dat hij eerder niet had voldaan aan een vertrekplicht. Daarnaast werd hem verweten onvoldoende mee te werken aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, en tegenstrijdige informatie te hebben verstrekt.

De man bestreed alle zwaarste gronden. Hij voerde aan dat zijn komst naar Nederland deze keer niet illegaal was, omdat Zwitserland hem juist had overgedragen aan Nederland en hij zelf geen invloed had gehad op de wijze van binnenkomst. Ook stelde hij dat hij zich nooit aan toezicht in Nederland had kunnen onttrekken, omdat hij direct na aankomst in bewaring werd gezet. Over de niet-naleving van een vertrekplicht merkte hij op dat hij zich destijds in Zwitserland bevond en fysiek niet aan een Nederlandse vertrekverplichting kon voldoen. Ten aanzien van zijn medewerking aan de identiteitsvaststelling betoogde hij dat de autoriteiten hem zelf hadden opgehaald en zijn identiteit dus kennelijk al kenden. Tot slot stelde hij na de overdracht geen tegenstrijdige verklaringen te hebben afgelegd.

De rechtbank ging niet mee in deze argumenten. Zij stelde vast dat de eerste twee zware gronden — de onrechtmatige binnenkomst in Europa en het herhaaldelijk verdwijnen na asielaanvragen — feitelijk correct zijn. Dat de illegale grensoverschrijding lang geleden plaatsvond en in de context van asiel, betekent niet dat de minister dit niet mag meenemen. Evenmin maakt de recente Dublinoverdracht dat de eerdere onrechtmatige inreis niet meer als grond mag dienen. De rechtbank concludeerde dat deze twee gronden samen voldoende zijn om de bewaring te dragen. De overige gronden behoefden daarmee geen verdere beoordeling.

Het beroep werd ongegrond verklaard en ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling zag de rechtbank geen aanleiding.

Betrokken advocaten

mr. J.E. Groenenberg

eiser

Advocatenkantoor Groenenberg, NIEUW-VENNEP

mr. J. Kaikai

verweerder

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Zaaknummer

NL26.14751

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7279

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBDHA:2026:8395
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8415
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8386
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8440
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8438
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht