Asielzoeker dient beroep te vroeg in tegen trage minister — RBDHA:2026:7283
asielrecht / beroep niet tijdig beslissen / ontvankelijkheid
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het prematuur was ingediend, vóór het verstrijken van de door de rechtbank opgelegde beslistermijn van zestien weken.
- De rechtbank had in een eerdere uitspraak (27 januari 2026) een beslistermijn van zestien weken opgelegd, die pas op 19 mei 2026 afloopt.
- Het tweede beroep werd op 10 februari 2026 ingediend, ruim vóór het verstrijken van die termijn, en is daardoor prematuur.
- Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet vereist, maar de beslistermijn moet wel al verstreken zijn.
- Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb.
- De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan de asielzoeker.
Samenvatting
Een asielzoeker diende een tweede beroepsprocedure in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd zou hebben beslist op zijn asielaanvraag van 8 maart 2025. De zaak draait om de vraag of dit tweede beroep ontvankelijk was.
Eerder had dezelfde rechtbank al een eerste beroep van de man gegrond verklaard, omdat de minister te lang wachtte met een beslissing. In die uitspraak van 27 januari 2026 had de rechter de minister een nieuwe termijn opgelegd van zestien weken om alsnog te beslissen. Ook was daarbij een dwangsom opgelegd van honderd euro per dag bij verdere overschrijding, met een maximum van vijftienduizend euro.
De asielzoeker stuurde de minister op 19 januari 2026 een brief met het verzoek binnen twee weken te beslissen. Toen dat uitbleef, diende hij op 10 februari 2026 een tweede beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank constateert echter dat de zestienweekstermijn die in de uitspraak van 27 januari 2026 was opgelegd, pas op 19 mei 2026 zou aflopen. Op het moment dat de asielzoeker zijn tweede beroep indiende — 10 februari 2026 — was die termijn dus nog lang niet verstreken. Het beroep was daarmee prematuur: te vroeg ingediend om ontvankelijk te zijn.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en bepaalt dat de minister de proceskosten niet hoeft te vergoeden. De asielzoeker heeft de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen bij de rechtbank.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1869, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.51743
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1868, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.51742
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1859, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.45802
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1519, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, 26.2268, 26.2271, 26.2273, 26.2274, 26.2278, 26.2279, 26.2280, 26.2281, 26.2285, 26.2291, 26.2293
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.7422
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7283