Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7288Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Vreemdeling in bewaring blijft vastzitten ondanks bezwaar grondslag — RBDHA:2026:7288

vreemdelingenbewaring / asielrecht

Eiser / verzoeker

Asielzoeker (naam geanonimiseerd)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen; de vreemdelingenbewaring blijft in stand.

  • Na afwijzing van de asielaanvraag verviel de b-grond voor bewaring, maar de a-grond (vaststelling identiteit/nationaliteit) bleef geldig; omzetting moest uiterlijk op 27 maart 2026 plaatsvinden.
  • Alle vijf zware gronden voor bewaring zijn feitelijk juist bevonden, waaronder illegale binnenkomst, onttrekking aan toezicht, negeren terugkeerbesluit, ontbreken van identiteitsdocumenten en gebruik van een alias.
  • Lichter middel is onvoldoende geacht vanwege het gedragsverleden van eiser en het significante risico op onderduiken.
  • Zicht op uitzetting is geen vereiste voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000.
  • Verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat de bewaring rechtmatig is bevonden.

Samenvatting

Een asielzoeker die sinds begin 2026 in vreemdelingenbewaring zit, heeft geprobeerd zijn vrijheid terug te krijgen door de rechtmatigheid van zijn detentie aan te vechten. De minister van Asiel en Migratie had hem op 13 maart 2026 in bewaring gesteld om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen en gegevens te verzamelen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.

De man voerde aan dat de grondslag voor zijn bewaring was weggevallen, omdat inmiddels een beslissing was genomen op zijn asielaanvraag. Hij beriep zich daarbij op een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een vergelijkbare rechtsvraag in behandeling had genomen. Zijn redenering: als de asielprocedure is afgesloten en er geen beroep is ingesteld, had de bewaring allang moeten worden omgezet naar een andere grondslag.

De rechtbank volgt dit betoog slechts gedeeltelijk. Na de beslissing op de asielaanvraag op 18 maart 2026 verviel inderdaad één van de twee gronden voor bewaring — namelijk de grond die gericht was op het verzamelen van gegevens voor de asielprocedure. Maar de andere grond, gericht op het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, gold nog steeds onverminderd. De minister had de bewaring op die grond ook tijdens de beroepstermijn kunnen handhaven. Omdat die termijn op 25 maart 2026 verstreek zonder dat de man rechtsmiddelen had ingediend, moest de omzetting uiterlijk plaatsvinden op de dag van de zitting, 27 maart 2026. De minister bevestigde ter zitting dat dit dezelfde dag nog zou gebeuren. De rechtbank oordeelde dat de bewaring op het moment van de zitting nog op de juiste grondslag berustte.

De rechtbank bekeek ook of de afzonderlijke gronden voor bewaring terecht waren toegepast. Die bleken er stevig voor te staan. De man was illegaal Nederland binnengekomen voordat hij via de Dublinprocedure werd overgedragen, had zich eerder onttrokken aan het toezicht door met onbekende bestemming te vertrekken, meerdere afspraken niet nagekomen, een terugkeerbesluit genegeerd, geen identificerende documenten overgelegd en een alias gebruikt. Al deze omstandigheden samen leverden voldoende grondslag op voor de bewaring en rechtvaardigden ook de conclusie dat er een significant risico bestond dat hij zich aan toezicht zou onttrekken.

Over de vraag of een minder ingrijpende maatregel mogelijk was, oordeelde de rechtbank dat dit niet het geval was. Gezien zijn gedragsverleden — eerder verdwijnen, geen vaste woon- of verblijfplaats, geen middelen van bestaan — was er geen reden om aan te nemen dat hij vrijwillig gevolg zou geven aan zijn vertrekplicht. Ook waren er geen bijzondere persoonlijke of medische omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maakten.

Tot slot stelde de man dat er geen zicht was op uitzetting, maar ook dat argument sloeg niet aan. De rechtbank wees erop dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van het toepasselijke artikel in de Vreemdelingenwet.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. De man blijft in bewaring en ontvangt geen financiële compensatie.

Betrokken advocaten

mr. M. Rasul

eiser

Advocatenkantoor Rasul, ASSEN

mr. I. van Es

verweerder

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Zaaknummer

NL26.14371

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7288

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst spoedmaatregel asielzoeker af na Dublin-overdracht
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Nigeriaanse man verliest beroep tegen terugkeerbesluit
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst voorlopige voorziening Jordaanse asielzoeker af
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Jordaanse man verliest beroep tegen afwijzing tweede asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter vernietigt afwijzing asielaanvraag Somalische man die nooit in Somalië woonde
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht