Rechter wijst beroep mvv-aanvraag gezinshereniging af wegens te laat indienen en onvoldoende inkomen — RBDHA:2026:7299
gezinshereniging / mvv-aanvraag / nareisbeleid / middelenvereiste
Eiser / verzoeker
Anonieme vreemdeling (eiser)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep is ongegrond verklaard; de afwijzing van de mvv-aanvraag voor gezinshereniging blijft in stand.
- Nareistermijn van drie maanden was met drie maanden overschreden en de overschrijding werd niet verschoonbaar geacht, omdat de referent zelf initiatief had moeten nemen na vertrek van zijn contactpersoon bij VluchtelingenWerk.
- Referent voldeed niet aan het middelenvereiste: zijn inkomsten waren niet stabiel en duurzaam door flexibele arbeidscontracten en aanvullende bijstandsuitkering.
- Verwijzing naar het EU-arrest Chakroun bood geen uitkomst, omdat stabiele en regelmatige inkomsten niet waren onderbouwd.
- Het middelenvereiste is een zelfstandige afwijzingsgrond, waardoor de rechtbank de overige beroepsgronden (identiteit, nationaliteit, familierelatie) onbesproken liet.
Samenvatting
Een asielzoeker probeerde via de rechter alsnog een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te krijgen om bij een familielid in Nederland te komen wonen. De Rechtbank Den Haag deed op 25 maart 2026 mondeling uitspraak en wees het beroep af.
De aanvraag was bedoeld voor verblijf bij een familielid, de zogeheten referent, en viel onder de regels voor nareis. Daarvoor geldt een strikte termijn van drie maanden na de statusverlening van de referent. In dit geval was die termijn met maar liefst drie maanden overschreden. De eiser voerde aan dat die overschrijding verschoonbaar was, onder meer omdat zijn contactpersoon bij VluchtelingenWerk Nederland was vertrokken en de referent met meerdere contactpersonen te maken had gehad.
De rechtbank ging daar niet in mee. Volgens de rechter had de referent, nadat zijn vaste contactpersoon vertrok, zelf het initiatief moeten nemen om de aanvraag op tijd in te dienen. Dat hij wisselende contactpersonen had gehad, werd niet als bijzondere omstandigheid gezien die de termijnoverschrijding kon rechtvaardigen. Ook aangevoerde persoonlijke omstandigheden werden niet meegewogen, omdat deze niet met documenten waren onderbouwd.
Daarmee was de zaak voor de rechtbank feitelijk al beslist: het nareisbeleid was niet van toepassing. Maar de minister had de aanvraag ook om andere redenen afgewezen, en de rechtbank bekeek die eveneens. Zo voldeed de referent niet aan het zogenoemde middelenvereiste: hij had niet genoeg stabiel en duurzaam inkomen. De referent had weliswaar gewerkt, maar via flexibele arbeidscontracten voor bepaalde tijd, en had daarnaast aanvullende bijstand ontvangen. Dat hij ook daadwerkelijk had gewerkt, deed daar volgens de rechter niet aan af.
De eiser verwees nog naar een Europees arrest, bekend als het arrest Chakroun, dat grenzen stelt aan de eisen die lidstaten mogen stellen aan het inkomen bij gezinshereniging. De rechtbank zag daarin echter geen reden om anders te oordelen, omdat de referent niet had aangetoond dat zijn inkomsten stabiel en regelmatig waren.
Omdat het niet voldoen aan het middelenvereiste op zichzelf al voldoende reden is om een mvv-aanvraag af te wijzen, hoefde de rechtbank de overige bezwaren — zoals de vraag of de identiteit en de familierelatie voldoende waren aangetoond — niet meer te bespreken.
Het beroep werd ongegrond verklaard. De eiser krijgt geen verblijfsmachtiging en ontvangt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Betrokken advocaten
mr. I. Dissevelt
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1675, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.53326
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1378, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.34904
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:652, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.37822
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:404, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL25.56525
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
25.42666
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7299