Rechter dwingt minister tot besluit op te lang uitgestelde asielaanvraag — RBDHA:2026:7308
asielrecht / niet-tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Beslistermijn op asielaanvraag van 9 augustus 2025 is verstreken zonder besluit van de minister
- Beroep wegens niet-tijdig beslissen is ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard
- Nieuwe beslistermijn van zestien weken opgelegd op basis van het '8+8 wekenmodel' van de Raad van State
- Dwangsom van €100 per dag (max. €15.000) opgelegd bij overschrijding van de nieuwe beslistermijn
- Minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €467
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie, omdat de minister niet op tijd een beslissing nam op zijn asielaanvraag van 9 augustus 2025. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, oordeelde dat het beroep gegrond is.
De zaak draait om een termijnoverschrijding. De minister was wettelijk verplicht binnen een bepaalde termijn te beslissen op de asielaanvraag. Toen die termijn verstreek zonder besluit, sommeerde de asielzoeker de minister om alsnog binnen twee weken te beslissen. Ook daaraan gaf de minister geen gehoor, waarna de asielzoeker beroep instelde bij de rechter.
De rechtbank stelde vast dat het uitblijven van een besluit gelijkgesteld kan worden aan een (negatief) besluit, en verklaarde het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Bij het bepalen van een nieuwe, redelijke beslistermijn hanteerde de rechter het zogeheten '8+8 wekenmodel', een maatstaf die eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is vastgesteld. Dat model houdt in dat de minister in totaal zestien weken krijgt om alsnog een besluit te nemen, te rekenen vanaf de dag na bekendmaking van de uitspraak.
Om naleving af te dwingen, koppelde de rechtbank aan die termijn een dwangsom. Houdt de minister zich niet aan de nieuwe deadline, dan moet hij de asielzoeker €100 per dag betalen, met een maximum van €15.000. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de asielzoeker, vastgesteld op €467.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1962, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.58960
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1388, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.31016
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1365, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.61539
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1370, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.52546
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.12656
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7308