Rechter gewraakt na bevooroordeelde brief in huurgeschil — RBDHA:2026:7313
wraking / rechterlijke onpartijdigheid / huurgeschil
Eiser / verzoeker
Verzoekers (huurders)
Verweerder / gedaagde
Mr. M.E. Groeneveld-Stubbe (kantonrechter)
Wrakingsverzoek gedeeltelijk toegewezen: kantonrechter gewraakt op grond van de schijn van vooringenomenheid door een brief over wettelijke rente; voor de overige gronden niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
- Wrakingsgronden 1 t/m 5 (gedrag ter zitting op 2 december 2025) zijn niet-ontvankelijk wegens te late indiening: ruim tweeënhalve maand na de zitting zonder redelijke verklaring.
- Brief van de kantonrechter van 13 februari 2026 over wettelijke rente levert objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid op, omdat zij zich daarmee uitliet over een nog lopend debat tussen partijen.
- Wraking toegewezen op gronden 6 en 7; zaak wordt voortgezet door een andere kantonrechter.
- Het feit dat een eerder verzoek pas wordt ingediend nadat een latere aanleiding de maat doet overlopen, maakt de eerdere gronden nog niet tijdig ingediend.
Samenvatting
Een kantonrechter bij de rechtbank Den Haag is met succes gewraakt in een huurgeschil. De wrakingskamer oordeelde dat de rechter de schijn van partijdigheid had gewekt door een brief te sturen aan partijen waarin zij zich uitsprak over een onderwerp dat nog volop in debat was.
Het huurgeschil draaide om een terugbetaling door de verhuurder aan de huurder van te veel betaalde huur. Tijdens een zitting op 2 december 2025 hadden partijen een schikking getroffen: zij zouden samen een berekening maken van het terug te betalen bedrag. Kwamen zij er onderling niet uit, dan mochten zij de rechter om een oordeel vragen.
De gemachtigde van de huurders stuurde vervolgens een e-mail aan de kantonrechter met de vraag of de schikking ook nieuwe vorderingen van de verhuurder uitsloot. In reactie daarop stuurde de griffier namens de kantonrechter op 13 februari 2026 een brief aan beide partijen. Daarin stond onder meer dat 'van wettelijke rente geen afstand was gedaan' en dat uit het ontbreken van afspraken daarover niet kon worden afgeleid dat er geen rente verschuldigd was.
Die brief schoot de huurders in het verkeerde keelgat. Op 20 februari 2026 dienden zij een wrakingsverzoek in met zeven gronden. De meeste klachten hadden betrekking op het gedrag van de kantonrechter tijdens de zitting van 2 december 2025: onder andere dat zij had gezegd dat de afwezigheid van de gemachtigde in het nadeel van de huurders zou worden uitgelegd, dat zij hoor en wederhoor had geschonden, en dat zij druk had uitgeoefend om de schikking ter plekke te ondertekenen zonder ruggespraak.
De wrakingskamer ging echter niet inhoudelijk in op deze grieven. De kantonrechter had al die omstandigheden al op 2 december 2025 ervaren, maar het wrakingsverzoek was pas op 20 februari 2026 ingediend — ruim tweeënhalve maand later. Voor dat tijdsverloop gaven de huurders geen afdoende verklaring. Het argument dat 'de maat vol was' toen zij de brief ontvingen, rechtvaardigt niet alsnog de eerdere zittingsklachten aan te voeren. De huurders werden voor dat deel niet-ontvankelijk verklaard.
Anders lag het voor de twee gronden die betrekking hadden op de brief van 13 februari 2026. De wrakingskamer oordeelde dat de kantonrechter zich met die brief al uitsprak over het standpunt van één der partijen — namelijk dat er wettelijke rente verschuldigd was — terwijl partijen daar nog over in debat waren en zich nog moesten uitlaten. Daarmee wekte zij de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.
De wrakingskamer wees het verzoek op die gronden toe. De zaak wordt overgedragen aan een andere kantonrechter.
Betrokken advocaten
mr. A.N.A. Buyserd
verzoekers
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2024:2569, Rechtbank Amsterdam, 02-05-2024, C/13/749350 / KG ZA 24-311
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2023:17449, Rechtbank Den Haag, 09-05-2023, C/09/646536/KG RK 23-536
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2023:15900, Rechtbank Den Haag, 10-02-2023, C/09/640800/KG RK 23-9
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:RBMNE:2021:3274, Rechtbank Midden-Nederland, 15-07-2021, UTR 19/3136 T, UTR 19/3138 T, UTR 19/3141 T, UTR 19/3150 T, UTR 19/3152 T en UTR 19/3153 T
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
C/09/700234 / KG RK 26/338
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7313