Rechter verhoogt dwangsom na aanhoudend stilzitten minister bij gezinshereniging — RBDHA:2026:7354
Niet tijdig beslissen op mvv-aanvraag gezinshereniging / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Eiser (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de gezinsherenigingsaanvraag op straffe van een dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Minister heeft ook na rechterlijk bevel uit februari 2025 geen besluit genomen op de gezinsherenigingsaanvraag, waardoor een tweede beroep wegens niet tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond is.
- Bij een tweede rechterlijke termijnoplegging is geen nieuwe ingebrekestelling vereist.
- Dwangsom verhoogd van €100 naar €200 per dag (max. €15.000) omdat de eerdere dwangsom onvoldoende prikkel bleek.
- Verzoek om vaststelling van bestuurlijke dwangsom afgewezen: artikel 4:17 Awb biedt daarvoor na een tweede ingebrekestelling geen grondslag.
- Griffierecht kwijtgescholden wegens betalingsonmacht; proceskosten van €467 ten laste van de minister.
Samenvatting
Een man die in Nederland verblijft, wacht al jarenlang op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie over een verblijfsvergunning voor zijn vrouw en kinderen. Hij had een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd in het kader van gezinshereniging, maar de minister liet het er maar bij zitten.
Eerder, in februari 2025, had de rechtbank Den Haag al ingegrepen. Toen verklaarde de rechter een eerste beroep van de man gegrond, omdat de minister niet op tijd een besluit had genomen. De minister kreeg een duidelijke opdracht: binnen acht weken beslissen, en anders binnen twintig weken als nader onderzoek nodig was. Om de minister een extra zetje te geven, werd een dwangsom opgelegd van honderd euro per dag dat hij te laat zou zijn, met een maximum van vijftienduizend euro.
Maar de minister besliste niet. Maanden gingen voorbij zonder enig besluit op de aanvraag. In september 2025 stapte de man opnieuw naar de rechter, ditmaal voor een tweede beroep wegens het wederom niet tijdig beslissen. De minister reageerde niet op de beroepsprocedure en diende geen verweer in.
De rechtbank stelde vast dat de minister nog altijd geen besluit had genomen, ondanks de eerder opgelegde verplichting en dwangsom. Dat de eerste dwangsom onvoldoende prikkel had geboden, was voor de rechter aanleiding om de druk flink op te voeren. Een nieuwe ingebrekestelling was daarvoor niet nodig: als een rechter al een termijn heeft opgelegd en het bestuursorgaan zich daaraan niet houdt, mag meteen opnieuw worden opgetreden.
De rechtbank verklaarde ook het tweede beroep gegrond en droeg de minister op om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. De dwangsom werd verhoogd naar tweehonderd euro per dag bij verdere overschrijding van die termijn, met opnieuw een maximum van vijftienduizend euro. De man hoefde geen griffierecht te betalen omdat hij had aangetoond dat hij dat niet kon opbrengen. De minister werd daarnaast veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de man, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2136, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.54288
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1879, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.64051
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1295, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.58221
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:950, Rechtbank Den Haag, 16-01-2026, NL25.47569
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.47424
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7354