Rechter verhoogt dwangsom na nieuw uitstel nareisbesluit asielzoeker — RBDHA:2026:7385
Niet-tijdig-beslissen / nareis asiel / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Eiseres (nareizigende vreemdeling)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de mvv-aanvraag, op straffe van een verhoogde dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000.
- Tweede beroep niet-tijdig-beslissen gegrond na vollopen eerste dwangsom van €15.000 zonder dat besluit volgde
- Rechtbank legt nieuwe beslistermijn van twee weken op in plaats van gevraagde twintig weken
- Dwangsom verhoogd van €100 naar €200 per dag omdat eerdere dwangsom onvoldoende prikkel bleek
- Verweerders argument van capaciteitsproblemen verworpen als grond voor lagere dwangsom
- Opmerking dat minister op voorhand aankondigde uitspraak niet na te zullen leven, strookt niet met doel van dwangsom
Samenvatting
Een vrouw die via gezinshereniging naar Nederland wil komen, wacht al ruim meer dan een jaar op een beslissing op haar verzoek om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Haar referent in Nederland had de aanvraag ingediend, maar de minister van Asiel en Migratie liet maar niet beslissen.
De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg) had eerder, in januari 2025, al een eerste beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond verklaard. Daarbij kreeg de minister acht weken de tijd om alsnog een besluit te nemen — of twintig weken als nader onderzoek nodig bleek. Voor elke dag overschrijding was een dwangsom van €100 opgelegd, met een maximum van €15.000. Die dwangsom liep vol, maar er volgde nog altijd geen beslissing.
Daarop stelde de vrouw in september 2025 opnieuw beroep in, opnieuw wegens het uitblijven van een besluit. De minister verzette zich niet inhoudelijk, maar vroeg de rechter om een langere beslistermijn van twintig weken en een lagere dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500. Als reden voerde hij capaciteitsproblemen aan bij de IND en verwees hij naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Nu de minister al eerder een ruime termijn heeft gekregen en die niet heeft benut, en de dwangsom inmiddels volledig is opgelopen zonder dat er een besluit volgde, is een nieuwe coulante termijn niet op zijn plaats. De rechter wijst ook op een opvallende passage in het verweerschrift: de minister vraagt om een lagere dwangsom omdat hij er zelf al op voorhand van uitgaat de uitspraak niet na te zullen leven. De rechtbank oordeelt dat dit haaks staat op het doel van een dwangsom, die juist bedoeld is om een bestuursorgaan tot handelen te bewegen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en verplicht de minister binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen. De dwangsom wordt verhoogd naar €200 per dag bij overschrijding van die termijn, met hetzelfde maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister het betaalde griffierecht van €194 vergoeden en €467 aan proceskosten betalen.
Betrokken advocaten
mr. M. Banwari
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.45508
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7385