Rechter dwingt minister tot beslissen op asielaanvraag binnen twee weken — RBDHA:2026:7389
Niet tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor rechtsgeldige grondslag, waardoor de beslistermijn zes maanden bedraagt.
- De Europese maximumtermijn van 21 maanden uit de Procedurerichtlijn was ten tijde van de uitspraak al overschreden, wat aanleiding geeft tot een verkorte nadere termijn van twee weken.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag (max. €15.000) wegens het uitblijven van een beslissing.
- De proceskosten worden vastgesteld op €467 (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,5 wegens licht gewicht van de zaak).
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd een beslissing had genomen over zijn asielaanvraag. De rechtbank deed uitspraak zonder zitting, op basis van de stukken.
Volgens de wet moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een besluit nemen. De minister had geprobeerd die termijn met negen maanden te verlengen via een beleidsmaatregel (WBV 2023/3), maar de rechtbank oordeelt dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd. Daarmee ontbreekt de juridische grondslag voor de verlenging en geldt nog steeds de gewone beslistermijn van zes maanden.
Bovendien was ook de maximale termijn van 21 maanden die de Europese Procedurerichtlijn als absolute grens stelt al verstreken. Dat maakt de situatie extra ernstig: niet alleen de nationale termijn, maar ook de Europese maximumtermijn was op het moment van de uitspraak al overschreden.
De asielzoeker had de minister eerder schriftelijk in gebreke gesteld, waarna hij twee weken heeft gewacht voordat hij beroep instelde. Dat is precies de procedure die de wet voorschrijft. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond.
Om verdere vertraging te voorkomen, legt de rechtbank een dwangsom op: als de minister niet binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt, verbeurt hij €100 per dag dat hij in gebreke blijft, met een maximum van €15.000. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker, begroot op €467.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.45496
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7389